Er is tegenwoordig genoeg bewijs dat evolutie bestaat.
Evolutie → De verandering van genetische samenstelling van populaties in de tijd.
Genetische kenmerken zijn de kenmerken die uiteindelijk invloed hebben op evolutie.
Zonder genetische overerving van kenmerken kan evolutie niet plaatsvinden.
Bijdragen aan genetische diversiteit →
- Mutaties → veranderingen in de nucleotide samenstelling van een DNA sequentie.
Levert op dat genetische kenmerken kunnen veranderen, en daarbij soms ook
fenotypische kenmerken veranderen.
Vaak leidt het tot neutrale variatie→ het verschil in DNA sequenties veroorzaakt
selectief geen voor- of nadeel.
- Meiose → Veranderingen in de chromosoom samenstelling hebben wel invloed. Door
meiose ontstaan nieuwe variaties van genetische combinaties, waardoor diversiteit
omhoog gaat.
Belang voor evolutie → Allebei deze factoren dragen bij aan een grotere genetische variatie,
waardoor evolutie kan plaatsvinden.
Genen die gedupliceerd worden waarbij geen negatief effect optreedt zorgen ervoor dat
mutaties zich kunnen aanpassen. Hierdoor ontstaat een nieuw genoom met nieuwe functies.
Dit is belangrijk voor evolutie.
Natuurlijke selectie → handige/gunstige allelen worden meer frequent. Fenotype is hierbij
van belang.
Verschillende soorten natuurlijke selectie:
- Directionele selectie → één uiteinde van het fenotype overleeft en reproduceert,
waardoor alleen dit fenotype wordt overgeërfd. (donkere vacht boven een lichte
vacht)
- Diversieve selectie → alleen de uiteinden van het fenotype overleven (alleen de hele
donkere en hele lichte vacht)
- Stabiliserende selectie → Het fenotype wat er een beetje tussenin zit is het
fenotype wat overleeft en reproduceert (lichtbruine vacht)
Gene pool → alle allelen op alle genlocaties in een populatie.
Allelfrequentie (p + q = 1)
Genotype frequentie (p^2 + 2pq + q^2 = 1)
Hardy-Weinberg equilibrium → Deze twee vergelijkingen zijn constant in een populatie die
niet verandert.
, Verandering van dit equilibrium is bewijs van evolutie.
Frequentie van allelen wordt beïnvloed door natuurlijke selectie en genetische drift. Deze
twee factoren kunnen ervoor zorgen dat sommige allelen volledig verdwijnen uit een
populatie.
Vijf voorwaarden van Hardy-Weinberg
1. Geen mutaties.
Mutaties zijn een bron van variatie in populaties.
Andere vorm: recombinatie tijdens meiose (herrangschikking)
2. Willekeurige paring tussen individuen in de populatie.
Individuen selecteren meestal hun partner op basis van:
- Hoe dichtbij de partner is
- Seksuele voorkeur van een bepaald fenotype
Assortive mating → voorkeur voor een organisme wat precies hetzelfde is
non-assortive mating → voorkeur voor het tegenovergestelde fenotype
3. Geen gene flow.
Geen migratie tussen groepen.
Uitwisseling van allelen door migratie kan zorgen dat de genetische compositie van
verschillende populaties meer hetzelfde wordt (minder variatie tussen verschillende
populatie groepen)
4. Geen genetische drift.
Willekeurige veranderingen van allel-frequenties van generatie op generatie door
sampling van gameten.
Kans bepaalt welke individuen overleven en reproduceren.
Allel fixatie → één allel wordt dominanter binnen een populatie, waardoor een ander
allel langzamerhand verdwijnt.
Genetische drift heeft door allel fixatie dramatische effecten op kleine populaties.
Bottleneck effect → Vermindering van de populatie door een milieuramp, of jacht.
Groot deel van de populatie verdwijnt, waardoor er minder variatie is, en hierdoor
minder kans om te overleven en aanpassing op de omgeving.
Founder effect → Deel van de populatie raakt geïsoleerd en start een nieuwe
kolonie. Dit vermindert de variatie in die groep.
In grote populaties is natuurlijke selectie sterker, omdat genetische drift niet veel zal
veranderen aan het aantal in de populatie van een bepaald allel. Het zal hooguit een
beetje heen en weer gaan.
5. Geen selectie van allelen.
Seksuele selectie → vrouwen selecteren de mannetjes met het beste fenotype. Het
Evolutie → De verandering van genetische samenstelling van populaties in de tijd.
Genetische kenmerken zijn de kenmerken die uiteindelijk invloed hebben op evolutie.
Zonder genetische overerving van kenmerken kan evolutie niet plaatsvinden.
Bijdragen aan genetische diversiteit →
- Mutaties → veranderingen in de nucleotide samenstelling van een DNA sequentie.
Levert op dat genetische kenmerken kunnen veranderen, en daarbij soms ook
fenotypische kenmerken veranderen.
Vaak leidt het tot neutrale variatie→ het verschil in DNA sequenties veroorzaakt
selectief geen voor- of nadeel.
- Meiose → Veranderingen in de chromosoom samenstelling hebben wel invloed. Door
meiose ontstaan nieuwe variaties van genetische combinaties, waardoor diversiteit
omhoog gaat.
Belang voor evolutie → Allebei deze factoren dragen bij aan een grotere genetische variatie,
waardoor evolutie kan plaatsvinden.
Genen die gedupliceerd worden waarbij geen negatief effect optreedt zorgen ervoor dat
mutaties zich kunnen aanpassen. Hierdoor ontstaat een nieuw genoom met nieuwe functies.
Dit is belangrijk voor evolutie.
Natuurlijke selectie → handige/gunstige allelen worden meer frequent. Fenotype is hierbij
van belang.
Verschillende soorten natuurlijke selectie:
- Directionele selectie → één uiteinde van het fenotype overleeft en reproduceert,
waardoor alleen dit fenotype wordt overgeërfd. (donkere vacht boven een lichte
vacht)
- Diversieve selectie → alleen de uiteinden van het fenotype overleven (alleen de hele
donkere en hele lichte vacht)
- Stabiliserende selectie → Het fenotype wat er een beetje tussenin zit is het
fenotype wat overleeft en reproduceert (lichtbruine vacht)
Gene pool → alle allelen op alle genlocaties in een populatie.
Allelfrequentie (p + q = 1)
Genotype frequentie (p^2 + 2pq + q^2 = 1)
Hardy-Weinberg equilibrium → Deze twee vergelijkingen zijn constant in een populatie die
niet verandert.
, Verandering van dit equilibrium is bewijs van evolutie.
Frequentie van allelen wordt beïnvloed door natuurlijke selectie en genetische drift. Deze
twee factoren kunnen ervoor zorgen dat sommige allelen volledig verdwijnen uit een
populatie.
Vijf voorwaarden van Hardy-Weinberg
1. Geen mutaties.
Mutaties zijn een bron van variatie in populaties.
Andere vorm: recombinatie tijdens meiose (herrangschikking)
2. Willekeurige paring tussen individuen in de populatie.
Individuen selecteren meestal hun partner op basis van:
- Hoe dichtbij de partner is
- Seksuele voorkeur van een bepaald fenotype
Assortive mating → voorkeur voor een organisme wat precies hetzelfde is
non-assortive mating → voorkeur voor het tegenovergestelde fenotype
3. Geen gene flow.
Geen migratie tussen groepen.
Uitwisseling van allelen door migratie kan zorgen dat de genetische compositie van
verschillende populaties meer hetzelfde wordt (minder variatie tussen verschillende
populatie groepen)
4. Geen genetische drift.
Willekeurige veranderingen van allel-frequenties van generatie op generatie door
sampling van gameten.
Kans bepaalt welke individuen overleven en reproduceren.
Allel fixatie → één allel wordt dominanter binnen een populatie, waardoor een ander
allel langzamerhand verdwijnt.
Genetische drift heeft door allel fixatie dramatische effecten op kleine populaties.
Bottleneck effect → Vermindering van de populatie door een milieuramp, of jacht.
Groot deel van de populatie verdwijnt, waardoor er minder variatie is, en hierdoor
minder kans om te overleven en aanpassing op de omgeving.
Founder effect → Deel van de populatie raakt geïsoleerd en start een nieuwe
kolonie. Dit vermindert de variatie in die groep.
In grote populaties is natuurlijke selectie sterker, omdat genetische drift niet veel zal
veranderen aan het aantal in de populatie van een bepaald allel. Het zal hooguit een
beetje heen en weer gaan.
5. Geen selectie van allelen.
Seksuele selectie → vrouwen selecteren de mannetjes met het beste fenotype. Het