Micro-evolutie → veranderingen in allelfrequentie binnen een populatie
Macro-evolutie → brede patronen van evolutionaire verandering (grote patronen)
Soort → Groep van populaties waarbinnen individuen kunnen paren en vruchtbare
nakomelingen krijgen. Meerdere aspecten van een organisme wordt bekeken om hem tot
een bepaalde soort te benoemen.
Biologische soortconcept → Als twee populaties vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen,
vallen deze populaties onder dezelfde soort.
Gene flow tussen populaties houdt een soort genetisch verwant, maar voor soortvorming is
dit een probleem. (voor soortvorming moet er geen gene flow zijn)
Migratie, mutaties, selectie en drift hebben invloed op de diversiteit van een soort. Ook
hebben deze factoren invloed op de soortvorming, omdat ze zorgen voor veranderingen in
allelfrequenties.
Drie problemen:
● Niet goed toetsbaar als soorten niet overlappen in ruimte
● Niet goed toetsbaar als soorten niet overlappen in de tijd
● Kan niet gebruikt worden bij aseksuele voortplanting
Morfologische soortconcept → een soort bekijken op fenotypische overeenkomsten.
Organismen van dezelfde soort lijken vaak op elkaar.
Problemen:
● Male-female verschillen
● Oude en jonge individuen
Tegenovergestelde is ook waar → individuen van verschillende soorten kunnen ook op
elkaar lijken!
Ecologische soortconcept → Kijken naar de niche van een soort.
Dit geldt voor seksueel als aseksueel
Fylogenetische soortconcept → individuen stammen af van dezelfde voorouder en
hebben unieke kenmerken die zijn overgeërfd.
Reproductie isolatie → Een barrière zorgt ervoor dat populaties in tweeën splitsen, en ze
weerhouden van het krijgen van nakomelingen met populaties aan de andere kant van de
barrière.
Macro-evolutie → brede patronen van evolutionaire verandering (grote patronen)
Soort → Groep van populaties waarbinnen individuen kunnen paren en vruchtbare
nakomelingen krijgen. Meerdere aspecten van een organisme wordt bekeken om hem tot
een bepaalde soort te benoemen.
Biologische soortconcept → Als twee populaties vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen,
vallen deze populaties onder dezelfde soort.
Gene flow tussen populaties houdt een soort genetisch verwant, maar voor soortvorming is
dit een probleem. (voor soortvorming moet er geen gene flow zijn)
Migratie, mutaties, selectie en drift hebben invloed op de diversiteit van een soort. Ook
hebben deze factoren invloed op de soortvorming, omdat ze zorgen voor veranderingen in
allelfrequenties.
Drie problemen:
● Niet goed toetsbaar als soorten niet overlappen in ruimte
● Niet goed toetsbaar als soorten niet overlappen in de tijd
● Kan niet gebruikt worden bij aseksuele voortplanting
Morfologische soortconcept → een soort bekijken op fenotypische overeenkomsten.
Organismen van dezelfde soort lijken vaak op elkaar.
Problemen:
● Male-female verschillen
● Oude en jonge individuen
Tegenovergestelde is ook waar → individuen van verschillende soorten kunnen ook op
elkaar lijken!
Ecologische soortconcept → Kijken naar de niche van een soort.
Dit geldt voor seksueel als aseksueel
Fylogenetische soortconcept → individuen stammen af van dezelfde voorouder en
hebben unieke kenmerken die zijn overgeërfd.
Reproductie isolatie → Een barrière zorgt ervoor dat populaties in tweeën splitsen, en ze
weerhouden van het krijgen van nakomelingen met populaties aan de andere kant van de
barrière.