SAMENVATTING HOOFDSTUK 8: CELL MEMBRANES
Concept 8.1
Celmembraan: de grens tussen de cel en de buitenwereld
● Selectief permeabel: sommige stoffen kunnen er doorheen, anderen niet
Samenstelling
Mozaïek van eiwitten in een vloeibare bilaag van fosfolipiden
Lipiden
● Voornamelijk fosfolipiden
○ Amfipathische moleuclen
○ Hydrofoob en hydrofiel
Eiwitten
● Op specifieke plekken in het membraan
Membraan fluidity
Membranen bij elkaar door zwakke
hydrofobe interacties
● Membraan blijft in principe
vloeibaar
Afkoeling → membraan wordt vast
Samenstelling bepaalt:
● Vloeibaarheid
● Temperatuur waarbij membraan nog vloeibaar is
Factoren die de vloeibaarheid beïnvloeden:
● Verzadiging van de vetzuren
○ Onverzadigd (C=C) → meer vloeibaar
● Lengte vetzuurstaarten
○ Korter → meer vloeibaar
● Cholesterol (dierlijke cellen)
○ Werkt als een buffer voor de
vloeibaarheid
■ Bij hogere temp remt
cholesterol de thermische
beweging van de
vetzuurstaarten →
membraan niet te
vloeibaar
1
, ■ Bij lagere temp remt cholesterol de kristallisatie van de
vetzuurstaarten → membraan niet te vast
Aanpassen lipide-samenstelling:
● Aangepast gedurende evolutie afhankelijk van temperatuur leefomgeving
● Sommige organismen kunnen dit actief aanpassen aan de variërende temperatuur
van de leefomgeving
Membraaneiwitten
● Perifere eiwitten: gebonden aan membraan
● Integrale eiwitten: in de hydrofobe core van een
membraan
○ Transmembraan als de het hele
membraan overspannen
Stuk met hydrofobe aminozuren door het membraan
(vaak als alfa helix)
Functies van een membraan worden meestal uitgevoerd door de eiwitten:
● Transport
● Enzymactiviteit
● Signaaltransductie
● Cel-cel herkenning
● Cel-cel aan elkaar vastzitten
● Hechting tussen het ECM en de cellen
2
Concept 8.1
Celmembraan: de grens tussen de cel en de buitenwereld
● Selectief permeabel: sommige stoffen kunnen er doorheen, anderen niet
Samenstelling
Mozaïek van eiwitten in een vloeibare bilaag van fosfolipiden
Lipiden
● Voornamelijk fosfolipiden
○ Amfipathische moleuclen
○ Hydrofoob en hydrofiel
Eiwitten
● Op specifieke plekken in het membraan
Membraan fluidity
Membranen bij elkaar door zwakke
hydrofobe interacties
● Membraan blijft in principe
vloeibaar
Afkoeling → membraan wordt vast
Samenstelling bepaalt:
● Vloeibaarheid
● Temperatuur waarbij membraan nog vloeibaar is
Factoren die de vloeibaarheid beïnvloeden:
● Verzadiging van de vetzuren
○ Onverzadigd (C=C) → meer vloeibaar
● Lengte vetzuurstaarten
○ Korter → meer vloeibaar
● Cholesterol (dierlijke cellen)
○ Werkt als een buffer voor de
vloeibaarheid
■ Bij hogere temp remt
cholesterol de thermische
beweging van de
vetzuurstaarten →
membraan niet te
vloeibaar
1
, ■ Bij lagere temp remt cholesterol de kristallisatie van de
vetzuurstaarten → membraan niet te vast
Aanpassen lipide-samenstelling:
● Aangepast gedurende evolutie afhankelijk van temperatuur leefomgeving
● Sommige organismen kunnen dit actief aanpassen aan de variërende temperatuur
van de leefomgeving
Membraaneiwitten
● Perifere eiwitten: gebonden aan membraan
● Integrale eiwitten: in de hydrofobe core van een
membraan
○ Transmembraan als de het hele
membraan overspannen
Stuk met hydrofobe aminozuren door het membraan
(vaak als alfa helix)
Functies van een membraan worden meestal uitgevoerd door de eiwitten:
● Transport
● Enzymactiviteit
● Signaaltransductie
● Cel-cel herkenning
● Cel-cel aan elkaar vastzitten
● Hechting tussen het ECM en de cellen
2