De schooltijd
, Ontwikkelingspsychologie De schooltijd
Hoofdstuk 12
Schooltijd: de cognitieve ontwikkeling.
12.1 De intellectuele en taalkundige ontwikkeling.
12.1.1 De cognitieve ontwikkeling volgens Piaget.
Concreet-operationeel stadium De periode van cognitieve
ontwikkeling tussen het zevende en het twaalfde levensjaar die wordt
gekenmerkt door het actieve en juiste gebruik van logica
Decentreren Het vermogen om rekening te houden met
verschillende aspecten van een situatie. Marco, 11jarige jongen,
gebruikt deze vaardigheid om na te denken over de verschillende
factoren die van invloed kunnen zijn op het ontstaan van
aardbevingen.
Reversibiliteit Het vermogen een uitgevoerde handeling (in
gedachten) weer terug te draaien. Bijv. een bal van klei wat
uitgerold is als slang, kan weer tot een bal gevormd worden.
12.1.2 Informatieverwerking in de schooltijd.
Herinnering Het proces waarmee informatie gecodeerd, opgeslagen
en weer opgehaald wordt.
Sensorisch (zintuigelijk) geheugen
De eerste tijdelijke opslag van informatie, die slechts een moment duurt.
Het slaat een exacte kopie van de stimulus op.
Kortetermijngeheugen (werkgeheugen)
De informatie gedurende 15 tot 25 seconden opgeslagen en
gerubriceerd naar inhoud.
Langetermijngeheugen
Informatie relatief permanent wordt opgeslagen, hoewel deze moeilijker
toegankelijk kan worden naarmate de informatie langer opgeslagen is.
Naarmate schoolkinderen ouder worden, gaan ze steeds beter begrijpen
wat het geheugen inhoudt en gaan ze steeds meer
geheugenstrategieën gebruiken doelbewuste tactieken ter
verbetering van de cognitieve verwerking. Bijv. bewust herhalen van
informatie is een nuttige strategie om iets beter te herinneren.
Verbetering van het geheugen:
1. Sleutelwoordstrategie: waarbij 2 reeksen woorden aan elkaar
gekoppeld worden.
2. Herhaling: van informatie die kinderen willen onthouden.
3. Organisatie: het in categorieën onderbrengen van materiaal, zoals
kustprovincies of soorten voedsel.
, Ontwikkelingspsychologie De schooltijd
Hoofdstuk 12
Schooltijd: de cognitieve ontwikkeling.
12.1 De intellectuele en taalkundige ontwikkeling.
12.1.1 De cognitieve ontwikkeling volgens Piaget.
Concreet-operationeel stadium De periode van cognitieve
ontwikkeling tussen het zevende en het twaalfde levensjaar die wordt
gekenmerkt door het actieve en juiste gebruik van logica
Decentreren Het vermogen om rekening te houden met
verschillende aspecten van een situatie. Marco, 11jarige jongen,
gebruikt deze vaardigheid om na te denken over de verschillende
factoren die van invloed kunnen zijn op het ontstaan van
aardbevingen.
Reversibiliteit Het vermogen een uitgevoerde handeling (in
gedachten) weer terug te draaien. Bijv. een bal van klei wat
uitgerold is als slang, kan weer tot een bal gevormd worden.
12.1.2 Informatieverwerking in de schooltijd.
Herinnering Het proces waarmee informatie gecodeerd, opgeslagen
en weer opgehaald wordt.
Sensorisch (zintuigelijk) geheugen
De eerste tijdelijke opslag van informatie, die slechts een moment duurt.
Het slaat een exacte kopie van de stimulus op.
Kortetermijngeheugen (werkgeheugen)
De informatie gedurende 15 tot 25 seconden opgeslagen en
gerubriceerd naar inhoud.
Langetermijngeheugen
Informatie relatief permanent wordt opgeslagen, hoewel deze moeilijker
toegankelijk kan worden naarmate de informatie langer opgeslagen is.
Naarmate schoolkinderen ouder worden, gaan ze steeds beter begrijpen
wat het geheugen inhoudt en gaan ze steeds meer
geheugenstrategieën gebruiken doelbewuste tactieken ter
verbetering van de cognitieve verwerking. Bijv. bewust herhalen van
informatie is een nuttige strategie om iets beter te herinneren.
Verbetering van het geheugen:
1. Sleutelwoordstrategie: waarbij 2 reeksen woorden aan elkaar
gekoppeld worden.
2. Herhaling: van informatie die kinderen willen onthouden.
3. Organisatie: het in categorieën onderbrengen van materiaal, zoals
kustprovincies of soorten voedsel.