LES 1: Waarom veiligheid?
Veiligheid = De effectieve bescherming van mensen tegen persoonlijk leed.
We praten eigenlijk altijd over onveiligheid ipv veiligheid, want onveiligheid is beter zichtbaar,
tastbaar of voelbaar.
Risicomaatschappij = Maatschappij die door zelf in gang gezette ontwikkelingen grote risico’s
veroorzaakt. (Bv. Natuurrampen, terrorisme)
Vernetwerking = Mensen werken steeds meer in groepen die heel ver kunnen reiken, omdat we
elkaar heel makkelijk kunnen spreken of bereiken. Mensen zijn niet meer individualistisch, maar alles
wordt in groepen gedaan.
Voordelen vernetwerking:
1. Mensen denken sneller na voordat ze iets doms doen (geweld gebruiken bij een conflict
bijvoorbeeld), omdat ze weten dat ze hierop afgerekend kunnen worden door mensen binnen
hun netwerk.
2. Je kunt meerdere partijen een aandeel laten leveren aan jouw veiligheidsonderwerp.
Nadelen vernetwerking:
1. Criminelen hebben toegang tot een groter werkgebied, hierdoor opereren ze tegenwoordig
vaak buiten hun woonregio.
2. Je hebt soms maar zeer beperkte invloed door de samenwerking met vele partijen.
Risicoregelreflex = De praktijk om na ieder probleem weer een nieuwe regel of procedure te
bedenken om daarmee risico’s uit te bannen.
Veiligheidsutopie = Het utopisch verlangen naar maximale vrijheid en veiligheid
Dit is een utopie omdat streven naar maximale veiligheid een dusdanig grote ingreep zou hebben op
de vrijheid, privacy en het functioneren van de samenleving zou hebben dat je nooit maximale
vrijheid hebt.
LES 2: BASISBEGRIPPEN IVK
Integrale veiligheid = In breder perspectief plaatsen van een veiligheidsprobleem om zo tot een
betere aanpak te komen. Analyse door tijd, ruimte, netwerken en kennisgebieden.
Tijd = Van oorzaak tot gevolg kijken naar een veiligheidsprobleem (Veiligheidsketen)
, Ruimte = Kijken of een probleem op lokaal, regionaal, nationaal of internationaal niveau is.
Netwerken = Een veiligheidsvraagstuk wordt zelden of nooit door één persoon of organisatie
opgelost. Samenwerking is dus noodzakelijk. Meerdere partijen hebben meerdere taken en
verantwoordelijkheden.
Kennisgebieden = Iedere partij heeft kennis van een ander gebied. Er moet gekeken worden naar
een veiligheidsvraagstuk vanuit meerdere oogpunten. (Psychologisch, Pedagogisch, Criminologisch,
Juridisch, Economisch)
Sociale veiligheid = De mate waarin mensen zich beschermd voelen tegen misdrijven met menselijke
bron. (Bv. woninginbraak, autodiefstal)
Fysieke veiligheid = De mate waarin mensen beschermd zich beschermd voelen of beschermd zijn
tegen ongevallen met niet menselijke bron. (Bv. natuurrampen, falende machines, epidemieën)
1. Externe veiligheid = De veiligheid (bescherming tegen persoonlijk leed) van personen die zich
bevinden buiten het systeem van het bedrijf waar het ongeval zich voordoet.
2. Interne veiligheid = De veiligheid (bescherming tegen persoonlijk leed) van personen die zich
bevinden binnen het systeem van het bedrijf waar het ongeval zich voordoet.
Safety = Moedwillig, bescherming van mensen tegen gevaar.
Security = Niet moedwillig, bescherming van sociale of technische systemen tegen ongewenste
aantastingen.
Verschil veilig voelen en veilig zijn = Veilig zijn is objectief (meetbaar door bijvoorbeeld
verkeersslachtoffers), veilig voelen is subjectief (persoonlijk, iedereen voelt zich onveilig op
verschillende momenten)
LES 3: DE VEILIGHEIDSKETEN
Pro-actie = Structureel wegnemen risico, vooraf bekijken.
Preventie = Voorkomen of vroegtijdig stoppen, maatregelen om impact incident te beperken.
Preparatie = Voorbereiden op optreden bij een calamiteit, hulpdiensten.
Repressie = Optreden om een onveilige situatie te beëindigen, van hulp verlenen tot schade
beperken.
Nazorg = Alle activiteiten om terug te keren naar een normale situatie. Menselijk, economisch,
juridisch en leer element.
Restrisico’s = Het risico wat blijft na het nemen na alle mogelijke maatregelen binnen de schakel in
de veiligheidsketen.