ECONOMIE SAMENVATTING HOORCOLLEGES
WOORDEN:
HC1
Economie: keuzes die mensen maken gegeven een beperkt aantal middelen
(schaars)
Overheidsfinanciën: hoe financieren en doen we de boekhouding van collectieve
goederen.
Begroting: Overzicht van voorziene uitgaven en inkomsten van komend jaar + de
financiële gevolgen van het voorgenomen beleid.
o Doel: zorgen voor gezonde overheidsfinanciën, efficiënte allocatie en
stabiele groei van de economie.
Balans: Ene kant de activa (bezittingen) andere kant de passiva (schulden). Deze
2 zijn altijd gelijk.
Markteconomie: overheid hoeft niets te doen, vraag en aanbod volgt elkaar op.
“de onzichtbare hand”
Budgetmechanisme: Beslissingen over het allocatie probleem worden op centraal
niveau genomen
.
Overheidsdoelen: Stabilisatie en goede verdeling van inkomsten
Instrumenten: uitgaven, inkomsten, wet en regelgeving en voorlichting.
HC2
Collectieve goederen: goederen die niemand zelf koopt maar iedereen belang bij
heeft. Geen uitsluiting en niet rivaliserend.
Besluitvorming via stemmen
o Eenvoudige meerderheid – de helft + 1
o Gekwalificeerde meerderheid – van te voren afgesproken hoeveel de
meerderheid moet zijn – bv 2/3
o Unanimiteitsregel – iedereen moet eens zijn
Rollen binnen budget mechanisme
o Parlement – stemmen over voorstellen, worden verkozen, iedere partij wil
zo veel mogelijk stemmen want eigen idee doordrukken
Nadeel: informatie te kort en staan onder druk door angst
stemmenverlies.
o Minister van financiën – zorgt dat wat het parlement kiest binnen het
financiële plaatje past
o Ambtenaren – stellen plannen op en voeren ze uit
o Centraal plan bureau – kijken naar verkiezingsprogramma’s, klopt alles,
wat zijn gevolgen?
, Doelmatig – met zo min mogelijk zo veel mogelijk bereiken
o Instrumenten
Normen: maximale kosten (bv rijbewijs)
Kosten baten afweging
Kosten effectiviteitsanalyse
Privatisering – over aan markt
Vraagfinanciering – financiering bij persoon leggen met belangeng
Besluitvormingsproces – proces van besluit, hoeveel gaat naar wie?
Rationele besluitvorming – oplossingen naast elkaar gelegd, welke goedkoopst en
meeste resultaat?
HC3
Miljoenennota: Algemene toelichting op de begroting van dat jaar
VBTB begroting: begroting waarin wordt aangegeven per minister wat ze
besteden en leveren in dat jaar.
o Autorisatie: recht of geen recht om iets uit te geven/ te doen
o Allocatie: duidelijk hoe het geld verdeelt is
o Beheerstechnisch: kan zien of iemand zijn werk goed doet
o Controle: kan terug zien of beloftes zijn nagekomen
Manieren van begroten/boekhouden
o Verplichtingenstelsel: noteert op moment dat je de verplichting aan gaat.
o Kasstelsel: noteert op het moment dat de kas verandert
o Baten & lastenstelsel: noteert het bedrag verdeeld over de tijd van
gebruik.
Suppletoire begroting: een aanvulling of wijziging aan de lopende begroting
Begrotingsnormen
o Keynesiaanse begrotingsnorm: mag in de min, als het is om de economie
te stimuleren
o Norm voor de uitgaven: Uitgavenkader – max 50% van BBP
o Norm voor de inkomsten: inkomstenkader – max …% van inkomsten laten
afstaan door het volk
Feitelijk EMU tekort: het bedrag dat je dat jaar te kort komt
Structureel EMU te kort: structureel te kort, gemiddeld over de jaren
Trendmatig begrotingsbeleid: meer naar lange termijn kijkend
o Vergroot voorspelbaarheid
o Versterkt houdbaarheid van overheidsfinanciën
Automatische stabilisatoren
o Progressief belastingstelsel: hoe hoger je inkomen hoe meer je betaald,
door de schijven.
o Sociale uitkering: zorgen dat je altijd een bepaald bestaansminimum hebt
Begrotingsproces
o Opstellen – door ambtenaren
o Goedkeuren – door parlement en minister van economische zaken
WOORDEN:
HC1
Economie: keuzes die mensen maken gegeven een beperkt aantal middelen
(schaars)
Overheidsfinanciën: hoe financieren en doen we de boekhouding van collectieve
goederen.
Begroting: Overzicht van voorziene uitgaven en inkomsten van komend jaar + de
financiële gevolgen van het voorgenomen beleid.
o Doel: zorgen voor gezonde overheidsfinanciën, efficiënte allocatie en
stabiele groei van de economie.
Balans: Ene kant de activa (bezittingen) andere kant de passiva (schulden). Deze
2 zijn altijd gelijk.
Markteconomie: overheid hoeft niets te doen, vraag en aanbod volgt elkaar op.
“de onzichtbare hand”
Budgetmechanisme: Beslissingen over het allocatie probleem worden op centraal
niveau genomen
.
Overheidsdoelen: Stabilisatie en goede verdeling van inkomsten
Instrumenten: uitgaven, inkomsten, wet en regelgeving en voorlichting.
HC2
Collectieve goederen: goederen die niemand zelf koopt maar iedereen belang bij
heeft. Geen uitsluiting en niet rivaliserend.
Besluitvorming via stemmen
o Eenvoudige meerderheid – de helft + 1
o Gekwalificeerde meerderheid – van te voren afgesproken hoeveel de
meerderheid moet zijn – bv 2/3
o Unanimiteitsregel – iedereen moet eens zijn
Rollen binnen budget mechanisme
o Parlement – stemmen over voorstellen, worden verkozen, iedere partij wil
zo veel mogelijk stemmen want eigen idee doordrukken
Nadeel: informatie te kort en staan onder druk door angst
stemmenverlies.
o Minister van financiën – zorgt dat wat het parlement kiest binnen het
financiële plaatje past
o Ambtenaren – stellen plannen op en voeren ze uit
o Centraal plan bureau – kijken naar verkiezingsprogramma’s, klopt alles,
wat zijn gevolgen?
, Doelmatig – met zo min mogelijk zo veel mogelijk bereiken
o Instrumenten
Normen: maximale kosten (bv rijbewijs)
Kosten baten afweging
Kosten effectiviteitsanalyse
Privatisering – over aan markt
Vraagfinanciering – financiering bij persoon leggen met belangeng
Besluitvormingsproces – proces van besluit, hoeveel gaat naar wie?
Rationele besluitvorming – oplossingen naast elkaar gelegd, welke goedkoopst en
meeste resultaat?
HC3
Miljoenennota: Algemene toelichting op de begroting van dat jaar
VBTB begroting: begroting waarin wordt aangegeven per minister wat ze
besteden en leveren in dat jaar.
o Autorisatie: recht of geen recht om iets uit te geven/ te doen
o Allocatie: duidelijk hoe het geld verdeelt is
o Beheerstechnisch: kan zien of iemand zijn werk goed doet
o Controle: kan terug zien of beloftes zijn nagekomen
Manieren van begroten/boekhouden
o Verplichtingenstelsel: noteert op moment dat je de verplichting aan gaat.
o Kasstelsel: noteert op het moment dat de kas verandert
o Baten & lastenstelsel: noteert het bedrag verdeeld over de tijd van
gebruik.
Suppletoire begroting: een aanvulling of wijziging aan de lopende begroting
Begrotingsnormen
o Keynesiaanse begrotingsnorm: mag in de min, als het is om de economie
te stimuleren
o Norm voor de uitgaven: Uitgavenkader – max 50% van BBP
o Norm voor de inkomsten: inkomstenkader – max …% van inkomsten laten
afstaan door het volk
Feitelijk EMU tekort: het bedrag dat je dat jaar te kort komt
Structureel EMU te kort: structureel te kort, gemiddeld over de jaren
Trendmatig begrotingsbeleid: meer naar lange termijn kijkend
o Vergroot voorspelbaarheid
o Versterkt houdbaarheid van overheidsfinanciën
Automatische stabilisatoren
o Progressief belastingstelsel: hoe hoger je inkomen hoe meer je betaald,
door de schijven.
o Sociale uitkering: zorgen dat je altijd een bepaald bestaansminimum hebt
Begrotingsproces
o Opstellen – door ambtenaren
o Goedkeuren – door parlement en minister van economische zaken