Hoofdstuk 22 Obesitas, diabetes en lichamelijke activiteit (588-611)
Terminologie en indeling
Overgewicht en obesitas zijn beide verbonden aan de ophoping van overtollig adipeus (vet) weefsel. In het
verleden werd dit vastgesteld met behulp van standaard ‘normtabellen’ voor lengte en gewicht. Deze
tabellen zijn in de jaren vijftig ontwikkeld en gepubliceerd door verzekeringsmaatschappijen en worden
tegenwoordig nog maar weinig gebruikt. Andere objectievere maten van lichaamssamenstelling, zoals de
body mass index (BMI), het vetpercentage, de vetvrije massa en de taille-heupratio, hebben deze tabellen
vervangen. De meest gebruikte maat voor overgewicht en obesitas is de BMI. In de oude
standaardtabellen zijn de waarden voor lichaamsgewicht alleen gebaseerd op gemiddelden. Hierdoor kan
een persoon volgens deze standaardtabel overgewicht hebben met een vetpercentage dat lager dan
normaal is. Krachtsporters worden bijvoorbeeld regelmatig door de standaardtabellen (en de BMI)
bestempeld als te zwaar, terwijl ze veel minder vet hebben dan personen van vergelijkbare leeftijd, lengte
en gewicht. Omgekeerd is het ook mogelijk dat iemand valt binnen het normale bereik van lichaamsgewicht
terwijl hij/zij overgewicht heeft.
Obesitas verwijst naar een extreem hoog percentage lichaamsvet. Dit betekent dat de werkelijke
hoeveelheid lichaamsvet of het percentage van het lichaamsgewicht dat uit vet bestaat moet worden
vastgesteld of geschat. Er zijn geen exacte standaarden voor ongezonde vetpercentages vastgesteld.
Maar mannen met meer dan 25% lichaamsvet en vrouwen met meer dan 35% moeten worden gezien als
obees. Mannen met vetpercentages van 20 tot 25% en vrouwen met waarden tussen 30 en 35% vallen in
de categorie van overgewicht. De waarden bij vrouwen zijn hoger vanwege de geslachtsspecifieke
vetdepots zoals op de borsten, heupen, billen en dijen, wat later in dit hoofdstuk wordt besproken.
Vanwege de eenvoud is de body mass index (BMI), ondanks enige nadelen, de meest gebruikte klinische
methode om obesitas te schatten. De BMI van een persoon wordt bepaald door het lichaamsgewicht (in
kilogrammen) te delen door het kwadraat van de lichaamslengte in meters. Een man die 104 kg weegt en
1,83 m lang is, heeft een BMI van 31 kg/m2 (104 kg/(1,83 m)2 = 104 kg/3,35 m2 = 31 kg/m2). Over het
algemeen is de BMI sterk gecorreleerd met het vetpercentage en geeft de BMI een redelijke schatting van
de mate van overgewicht.
, Prevalentie van overgewicht en obesitas
Hispanic: iemand met een tijdelijke
gebruiksvergunning.
De aantallen personen met obesitas gedurende de
afgelopen 10 jaar omhooggeschoten, wat
resulteert in een wereldwijde epidemie van
obesitas. De meest recente schattingen zeggen dat
ongeveer 2 miljard mensen op de wereld
overgewicht hebben of obees zijn. De laatste
cijfers geven een daling van 43% in de
obesitascijfers in het afgelopen decennium bij de
2-5-jarigen. Maar de obesitascijfers voor alle 2-19-
jarigen samen zijn niet gewijzigd.
Terminologie en indeling
Overgewicht en obesitas zijn beide verbonden aan de ophoping van overtollig adipeus (vet) weefsel. In het
verleden werd dit vastgesteld met behulp van standaard ‘normtabellen’ voor lengte en gewicht. Deze
tabellen zijn in de jaren vijftig ontwikkeld en gepubliceerd door verzekeringsmaatschappijen en worden
tegenwoordig nog maar weinig gebruikt. Andere objectievere maten van lichaamssamenstelling, zoals de
body mass index (BMI), het vetpercentage, de vetvrije massa en de taille-heupratio, hebben deze tabellen
vervangen. De meest gebruikte maat voor overgewicht en obesitas is de BMI. In de oude
standaardtabellen zijn de waarden voor lichaamsgewicht alleen gebaseerd op gemiddelden. Hierdoor kan
een persoon volgens deze standaardtabel overgewicht hebben met een vetpercentage dat lager dan
normaal is. Krachtsporters worden bijvoorbeeld regelmatig door de standaardtabellen (en de BMI)
bestempeld als te zwaar, terwijl ze veel minder vet hebben dan personen van vergelijkbare leeftijd, lengte
en gewicht. Omgekeerd is het ook mogelijk dat iemand valt binnen het normale bereik van lichaamsgewicht
terwijl hij/zij overgewicht heeft.
Obesitas verwijst naar een extreem hoog percentage lichaamsvet. Dit betekent dat de werkelijke
hoeveelheid lichaamsvet of het percentage van het lichaamsgewicht dat uit vet bestaat moet worden
vastgesteld of geschat. Er zijn geen exacte standaarden voor ongezonde vetpercentages vastgesteld.
Maar mannen met meer dan 25% lichaamsvet en vrouwen met meer dan 35% moeten worden gezien als
obees. Mannen met vetpercentages van 20 tot 25% en vrouwen met waarden tussen 30 en 35% vallen in
de categorie van overgewicht. De waarden bij vrouwen zijn hoger vanwege de geslachtsspecifieke
vetdepots zoals op de borsten, heupen, billen en dijen, wat later in dit hoofdstuk wordt besproken.
Vanwege de eenvoud is de body mass index (BMI), ondanks enige nadelen, de meest gebruikte klinische
methode om obesitas te schatten. De BMI van een persoon wordt bepaald door het lichaamsgewicht (in
kilogrammen) te delen door het kwadraat van de lichaamslengte in meters. Een man die 104 kg weegt en
1,83 m lang is, heeft een BMI van 31 kg/m2 (104 kg/(1,83 m)2 = 104 kg/3,35 m2 = 31 kg/m2). Over het
algemeen is de BMI sterk gecorreleerd met het vetpercentage en geeft de BMI een redelijke schatting van
de mate van overgewicht.
, Prevalentie van overgewicht en obesitas
Hispanic: iemand met een tijdelijke
gebruiksvergunning.
De aantallen personen met obesitas gedurende de
afgelopen 10 jaar omhooggeschoten, wat
resulteert in een wereldwijde epidemie van
obesitas. De meest recente schattingen zeggen dat
ongeveer 2 miljard mensen op de wereld
overgewicht hebben of obees zijn. De laatste
cijfers geven een daling van 43% in de
obesitascijfers in het afgelopen decennium bij de
2-5-jarigen. Maar de obesitascijfers voor alle 2-19-
jarigen samen zijn niet gewijzigd.