Samenvatting Creatie van het mondige kind
Inleiding
Geschiedenis van de historische pedagogiek
Aries (1960)
Kindertijd, jeugd en adolescentie sociaal en cultureel bepaald waren
Notie ‘kind’ niet bekend bij Middeleeuwer
Kleine kring van gezinsleven kind centraal
Vernieuwing in historische pedagogiek: 1. Empirische gegevens 2. Inhoudelijke vernieuwing
Nieuwe gezichtspunten:
Lloyde de Mause: hoe verder we teruggaan in de tijd, hoe slechter de zorg van het kind
Edward Shorter: gebrek aan moederliefde
Lawrence Stone: kind moest onderwerpen aan gezag van ouders
In de jaren 80: kritiek op de ‘Sentiments Approach’ van Aries, De Mause, Shorter en Stone het
beeld van het kind en de opvoeding in de middeleeuwen niet klopte
Reacties: methodologisch onderzoek was gebrekkig, er was geen bewijs gevonden voor de
opvatting dat opvoeders in het verleden onverschillig zouden zijn geweest voor lijden en
sterven van kinderen
Voor Aries werden kinderen al voortgebracht in kerngezinnen
Leerplicht in 1901: arbeid werd voortaan voorbehouden aan de volwassenen
Invoering van kinderwetten ouderverantwoordelijkheid
Jaren 60: ideeëngeschiedenis twee ontwikkelingen: beweging op gebied van geschiedenis van het
politieke denken, beweging op het gebied van het wetenschapsonderzoek
Begriffsgeschichte: concentratie op historische omwentelingen, op periodes waarin vele
veranderingen bij elkaar komen en een omslag in het denken lijkt plaats te hebben
Nog radicaler dan de Engelsen: in de ideeëngeschiedenis is er continuïteit
Sattelzeit: omslagperiode in 1750 tot 1850
Interesseerden in veranderingen die theoretische begrippen in zo’n periode ondergaan
Wetenschapsonderzoek
Thomas Kuhn in 1962: The structure of scientific revolutions verandering op gang gekomen in
onderzoek naar de geschiedenis van wetenschap
Sinds Kuhn is de aandacht in onderzoek verlegd van retrospectieve terugblik op de bijdrage van een
wetenschapper naar een analyse van de wetenschapper als actor in zijn tijd
Disciplinaire matrix: het vocabulaire waarvan een groep wetenschappers zich bedient
Wetenschap is geïnteresseerd in het feitelijke handelen van wetenschappers en denkers in
het verleden
Mondigheid
Michel de Montaigne: ‘in staat zijn tot het vormen van een eigen oordeel
Opvoeders moeten het kind leren goed te kijken en goed te luisteren en zich te oefenen in
het ontwikkelen van een zelfstandig oordeel als kern van zijn ideaal van de beschaafde man.
Locke: geslaagd product van een goede opvoeding is een redelijke, energieke en
pragmatische figuur die vlot en respectvol met anderen van verschillende rang en stand
omgaat
Noodzakelijk verband tussen goede manieren en het vermogen tot een zelfstandig oordeel
Centrum van iemands persoonlijkheid is een goedgevormd eigen moreel ordeel
Rousseau: verschilt van mening met Locke over de wijze waarop de morele status wordt
bereikt, maar hebben wel hetzelfde doel
, Opvoeder stelt zich veeleer volgend op, indirect enscenerend ipv direct sturend (bij Locke:
onderwerping kind aan ouder)
Doel blijft het bereiken van intellectuele en morele zelfstandigheid
Kant: algemene doel van opvoeding en cultuur
Onmondigheid: onvermogen zich van zijn verstand te bedienen zonder de leiding van een
ander
Kant: nadruk op redelijkheid en het vrije, minder cultureel type
Locke: gebruik van de rede altijd in dienst van deugd en beschaving
Montaigne: tot eigen oordeel, intellectueel en moreel zelfbestuur in staat zijn
Martinus Langeveld (jaren 50): opvoeder is heel zijn opvoedend gedrag gericht op het kind helpen
mondig te worden
Opvoeding zal er op gericht moeten zijn het kind te helpen bekwaam te worden tot zedelijke
zelfbepaling in een morele orde dit doel is hetzelfde als Montaigne en Locke
Theodor Adorno (eind jaren 60): geradicaliseerde, maatschappijkritische versie van Kant
Geen mens kan volgens zijn eigen bestemming existeren
Mondigheid als opvoedingsdoel en ervaringsfeit
Hoofdstuk 1. Het schoolkind
, 1988: Studiehuis = concept voor de bovenbouw van havo en vwo dat teruggrijpt op principes van die
aan het begin van de vorige eeuw werden ontwikkeld
Centraal staat de gedachte van zelfwerkzaamheid en van de leerling die in zijn eigen tempo
werkt
Daltonplan: ‘leren leren’ niet de vakken staan centraal
Taak van de school: bijbrengen van de juiste leerattitude om in staat te zijn gedurende het
gehele verdere leven kennis op te doen
Kennis in onze samenleving een belangrijke rol, anderzijds kennis in deze samenleving
vergankelijker is dan ooit
Centraal taak van onderwijs: jongeren te leren zich snel, efficient en flexibel aan te passen
aan nieuwe werkomgevingen, vragen en verwachtingen
School moet de leerling eerst de juiste werkhouding bijbrengen Reform pedagogisch
principe van zelfwerkzaamheid
Risico/kritiek van studiehuis: maatschappelijke ongelijkheid vergroot, eenzijdige nadruk op
algemene, formele vaardigheden
Paideia (Grieks opvoedingsconcept) was het aanknopingspunt voor de Humanisten voor hun ideeen
over opvoeding en onderwijs
= doelbewuste vorming van een jongeling naar een algemeen ideaal van evenwicht en harmonie
Impliceerde een breuk met elke voorstelling van opvoeding als een natuurlijke, organische,
vanzelfsprekende aangelegenheid
Opvoedingsideaal: harmonisch gevormd zijn, een streven naar deugd, naar een evenwichtige
combinatie van goede eigenschappen
Competitie, wedstrijd en spel waren aanwezig in het Griekse pedagogische denken
Nadat Athene in de vijfde eeuw voor Christus het centrum van een groot imperium was geworden
behoeft aan een leerplan waarbinnen de opvoeding vorm gegeven kan worden
Sofisten: stelden een leerplan op dat inhoud moest geven aan het ideaal van de deugdzame
politieke mens in de nieuwe mondiale verhoudingen
Opleiding voor de Griekse elite (3 a 4 jaar)
Trivium: grammatica, retorica, dialectica (alfavakken)
Quadrivium: aritmetica, geometrica, astronomia en musica (bètavakken)
Plato (427-437) en leermeester Socrates: draaide de opvoeding eveneens om de deugd van de
politieke mens en stond opnieuw het streven naar harmonie centraal
Kennis een veel gewichtiger plaats in opvoeding absolute kennis (gold voor alle tijden)
vloeide volgens Plato voort uit het wezen der dingen zelf: de Idee
Deugd kon niet worden aangeleerd (sofisten dachten met oefenen wel)
Twee doelen: wezenskennis in de opvoedeling oproepen dat in hemzelf aanwezig was,
aangeboren kwaliteiten van de mens
Opvoeding moest ervoor zorgen dat de besten werden geselecteerd voor de belangrijkste
maatschappelijke functies
Aristoteles (384-322): moderner beeld van kind en opvoeding
Harmonisch gevormde mens moest volgens hem worden beschouwd als uitkomt van aanleg,
milieu en educatie
In potentie was alles aanwezig in het kind, maar de opvoeding diende die potentie succesvol
aan te boren
Opvoeding tot staatsburger stond centraal
Quintilianus (belangrijkste Romeinse pedagoog): opleidingsschool voor juristen
Metafoor van het kind: het kind als onbeschreven blad
Nadruk op eergevoel van leerlingen
Onderwijs in de middeleeuwen
Inleiding
Geschiedenis van de historische pedagogiek
Aries (1960)
Kindertijd, jeugd en adolescentie sociaal en cultureel bepaald waren
Notie ‘kind’ niet bekend bij Middeleeuwer
Kleine kring van gezinsleven kind centraal
Vernieuwing in historische pedagogiek: 1. Empirische gegevens 2. Inhoudelijke vernieuwing
Nieuwe gezichtspunten:
Lloyde de Mause: hoe verder we teruggaan in de tijd, hoe slechter de zorg van het kind
Edward Shorter: gebrek aan moederliefde
Lawrence Stone: kind moest onderwerpen aan gezag van ouders
In de jaren 80: kritiek op de ‘Sentiments Approach’ van Aries, De Mause, Shorter en Stone het
beeld van het kind en de opvoeding in de middeleeuwen niet klopte
Reacties: methodologisch onderzoek was gebrekkig, er was geen bewijs gevonden voor de
opvatting dat opvoeders in het verleden onverschillig zouden zijn geweest voor lijden en
sterven van kinderen
Voor Aries werden kinderen al voortgebracht in kerngezinnen
Leerplicht in 1901: arbeid werd voortaan voorbehouden aan de volwassenen
Invoering van kinderwetten ouderverantwoordelijkheid
Jaren 60: ideeëngeschiedenis twee ontwikkelingen: beweging op gebied van geschiedenis van het
politieke denken, beweging op het gebied van het wetenschapsonderzoek
Begriffsgeschichte: concentratie op historische omwentelingen, op periodes waarin vele
veranderingen bij elkaar komen en een omslag in het denken lijkt plaats te hebben
Nog radicaler dan de Engelsen: in de ideeëngeschiedenis is er continuïteit
Sattelzeit: omslagperiode in 1750 tot 1850
Interesseerden in veranderingen die theoretische begrippen in zo’n periode ondergaan
Wetenschapsonderzoek
Thomas Kuhn in 1962: The structure of scientific revolutions verandering op gang gekomen in
onderzoek naar de geschiedenis van wetenschap
Sinds Kuhn is de aandacht in onderzoek verlegd van retrospectieve terugblik op de bijdrage van een
wetenschapper naar een analyse van de wetenschapper als actor in zijn tijd
Disciplinaire matrix: het vocabulaire waarvan een groep wetenschappers zich bedient
Wetenschap is geïnteresseerd in het feitelijke handelen van wetenschappers en denkers in
het verleden
Mondigheid
Michel de Montaigne: ‘in staat zijn tot het vormen van een eigen oordeel
Opvoeders moeten het kind leren goed te kijken en goed te luisteren en zich te oefenen in
het ontwikkelen van een zelfstandig oordeel als kern van zijn ideaal van de beschaafde man.
Locke: geslaagd product van een goede opvoeding is een redelijke, energieke en
pragmatische figuur die vlot en respectvol met anderen van verschillende rang en stand
omgaat
Noodzakelijk verband tussen goede manieren en het vermogen tot een zelfstandig oordeel
Centrum van iemands persoonlijkheid is een goedgevormd eigen moreel ordeel
Rousseau: verschilt van mening met Locke over de wijze waarop de morele status wordt
bereikt, maar hebben wel hetzelfde doel
, Opvoeder stelt zich veeleer volgend op, indirect enscenerend ipv direct sturend (bij Locke:
onderwerping kind aan ouder)
Doel blijft het bereiken van intellectuele en morele zelfstandigheid
Kant: algemene doel van opvoeding en cultuur
Onmondigheid: onvermogen zich van zijn verstand te bedienen zonder de leiding van een
ander
Kant: nadruk op redelijkheid en het vrije, minder cultureel type
Locke: gebruik van de rede altijd in dienst van deugd en beschaving
Montaigne: tot eigen oordeel, intellectueel en moreel zelfbestuur in staat zijn
Martinus Langeveld (jaren 50): opvoeder is heel zijn opvoedend gedrag gericht op het kind helpen
mondig te worden
Opvoeding zal er op gericht moeten zijn het kind te helpen bekwaam te worden tot zedelijke
zelfbepaling in een morele orde dit doel is hetzelfde als Montaigne en Locke
Theodor Adorno (eind jaren 60): geradicaliseerde, maatschappijkritische versie van Kant
Geen mens kan volgens zijn eigen bestemming existeren
Mondigheid als opvoedingsdoel en ervaringsfeit
Hoofdstuk 1. Het schoolkind
, 1988: Studiehuis = concept voor de bovenbouw van havo en vwo dat teruggrijpt op principes van die
aan het begin van de vorige eeuw werden ontwikkeld
Centraal staat de gedachte van zelfwerkzaamheid en van de leerling die in zijn eigen tempo
werkt
Daltonplan: ‘leren leren’ niet de vakken staan centraal
Taak van de school: bijbrengen van de juiste leerattitude om in staat te zijn gedurende het
gehele verdere leven kennis op te doen
Kennis in onze samenleving een belangrijke rol, anderzijds kennis in deze samenleving
vergankelijker is dan ooit
Centraal taak van onderwijs: jongeren te leren zich snel, efficient en flexibel aan te passen
aan nieuwe werkomgevingen, vragen en verwachtingen
School moet de leerling eerst de juiste werkhouding bijbrengen Reform pedagogisch
principe van zelfwerkzaamheid
Risico/kritiek van studiehuis: maatschappelijke ongelijkheid vergroot, eenzijdige nadruk op
algemene, formele vaardigheden
Paideia (Grieks opvoedingsconcept) was het aanknopingspunt voor de Humanisten voor hun ideeen
over opvoeding en onderwijs
= doelbewuste vorming van een jongeling naar een algemeen ideaal van evenwicht en harmonie
Impliceerde een breuk met elke voorstelling van opvoeding als een natuurlijke, organische,
vanzelfsprekende aangelegenheid
Opvoedingsideaal: harmonisch gevormd zijn, een streven naar deugd, naar een evenwichtige
combinatie van goede eigenschappen
Competitie, wedstrijd en spel waren aanwezig in het Griekse pedagogische denken
Nadat Athene in de vijfde eeuw voor Christus het centrum van een groot imperium was geworden
behoeft aan een leerplan waarbinnen de opvoeding vorm gegeven kan worden
Sofisten: stelden een leerplan op dat inhoud moest geven aan het ideaal van de deugdzame
politieke mens in de nieuwe mondiale verhoudingen
Opleiding voor de Griekse elite (3 a 4 jaar)
Trivium: grammatica, retorica, dialectica (alfavakken)
Quadrivium: aritmetica, geometrica, astronomia en musica (bètavakken)
Plato (427-437) en leermeester Socrates: draaide de opvoeding eveneens om de deugd van de
politieke mens en stond opnieuw het streven naar harmonie centraal
Kennis een veel gewichtiger plaats in opvoeding absolute kennis (gold voor alle tijden)
vloeide volgens Plato voort uit het wezen der dingen zelf: de Idee
Deugd kon niet worden aangeleerd (sofisten dachten met oefenen wel)
Twee doelen: wezenskennis in de opvoedeling oproepen dat in hemzelf aanwezig was,
aangeboren kwaliteiten van de mens
Opvoeding moest ervoor zorgen dat de besten werden geselecteerd voor de belangrijkste
maatschappelijke functies
Aristoteles (384-322): moderner beeld van kind en opvoeding
Harmonisch gevormde mens moest volgens hem worden beschouwd als uitkomt van aanleg,
milieu en educatie
In potentie was alles aanwezig in het kind, maar de opvoeding diende die potentie succesvol
aan te boren
Opvoeding tot staatsburger stond centraal
Quintilianus (belangrijkste Romeinse pedagoog): opleidingsschool voor juristen
Metafoor van het kind: het kind als onbeschreven blad
Nadruk op eergevoel van leerlingen
Onderwijs in de middeleeuwen