Er zijn twee familierechtelijke relaties; het huwelijk en het geregistreerd partnerschap. In titel
5 vindt men de regels met betrekking tot de totstandkoming van en de vereisten voor het
huwelijk, in titels 6-8 de vermogensrechtelijke gevolgen, het huwelijksgoederenrecht, in titel
9 de echtscheiding en in titel 0 de gedeeltelijke opheffing van de huwelijksrelatie, de
scheiding van tafel en bed alsmede de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en
bed.
Op 1/4/2001 is het huwelijk voor twee personen van hetzelfde geslacht ingevoerd (1:30).
Een huwelijk van twee personen van hetzelfde geslacht verschilt nauwelijk van een huwelijk
van twee personen van verschillend geslacht. Het verschil is er in internationaal opzicht. Ze
hoeven niet in elk lang op erkenning te rekenen.
In de praktijk blijken steeds vaker relaties van min of meer duurzame aard voor te komen
van personen die met elkaar samenleven, maar die niet met elkaar willen huwen of een GP
willen aangaan.
Ongehuwd en ongeregistreerd samenlevenden kunnen hun onderlinge vermogensrechtelijke
relatie regelen in een samenlevingscontract, worden vaak in notariële akte vastgesteld. In
een samenlevingscontract kunnen zaken betreffende het eigen en gemeenschappelijk
vermogen, gemeenschappelijke woning, alimentatie, verdeling van goederen bij het einde
van de relatie door overlijden of verbreking worden geregeld. Als ze uiteengaan, kinderen
hebben over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen, stellen zij ingevolge 1:247a een
ouderschapsplan op, waarin zij de gevolgen van het uiteen gaan in de verhouding tot hun
kinderen regelen.
Voor het tot stand komen van een huwelijk stelt de wet een aantal vereisten, die als volgt
kunnen worden onderscheiden:
1. Inwendige vereisten, d.w.z de vereisten die betrekking hebben op de personen die
ene huwelijk willen aangaan, onder te verdelen in:
a. Absolute inwendige vereisten - men die wil huwen
b. Relatief inwendige vereisten - vereisten die een beletsel vormen voor een
huwelijk met een bepaald persoon
2. Uitwendige vereisten, d.w.z. de formaliteiten.
In art 1:31 - 1:40 vindt men de volgende absoluut inwendige vereisten:
1. Leeftijd. Je moet min. 18 jaar zijn (1:31 lid 1)
2. Toestemming. Voor het huwelijk is, evenals voor ederen rechtshandeling,
toestemming van partijen vereist: beide partijen moeten de wil hebben, en die wil
verklaren, een huwelijk aan te gaan. - 1:32. Iemand wiens geestvermogens zodanig
zijn gestoord is niet in staat een huwelijk aan te gaan. Dit kan ook bv door
dronkenschap. 1:49 bepaalt dat de trouwbeloften geen rechtsvordering geven tot het
aangaan van een huwelijk, noch tot schadevergoeding; de verlaging als zodanig
heeft dus geen rechtsgevolgen.
3. Monogamie. Men kan tegelijkertijd slechts met 1 andere persoon gehuwd zijn en
men mag ook niet tegelijkertijd een GP zijn aangegaan - 1:33 en 1:42
4. Toestemming van derde. Voor onder curatele gestelden geldt dat zij voor het
aangaan van een huwelijk toestemming van een derde behoeven. Onder curatele
gestelden wegens gewoonte van drank of drugs hebben voor het aangaan ook
, toestemming van de curator nodig; vervangende toestemming van de kantonrechter
is mogelijk - 1:37. Degene die op grond van hun lichamelijke of geestelijke toestand
onder curatele zij geslote,d hebben toestemming nodig van ktr (1:38)
De relatief inwendige huwelijksvereisten:
a. Geen te nauwe verwantschap in de rechte lijn en tot in de tweede graad zijlijn. In art
41 vindt men een aantal verwantschapsrelaties van personen tussen wie een
huwelijk verbonden is (broers en zussen). Ook als er in rechte lijn door adoptie
bloedverwantschap bestaat, is een huwelijk verboden. In de zijlinie geldt dat een
adoptief zuster en adoptiebroer niet met elkaar mogen trouwen - 1:41 lid 2;
dispensatie kan verleend worden.
Niet verboden is het huwelijk tussen een stiefouder en zijn stiefkind, tenzij dit door de
stiefouder is erkend. Evenmin verboden is het huwelijk tussen zwager en schoonzus,
zij zijn niet elkaar bloedverwanten.
b. Geen te nauwe verwantschap in de derde en vierde graad zijlijn: vrije toestemming.
In art 41a is dit opgenomen. Maar als de aanstaande echtgenoten ieder onder ede
een verklaring afleggen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand dat zij hun vrije
toestemming tot het huwelijk geven, is er geen beletsel meer voor deze
bloedverwanten om met elkaar te huwen. Dit gaat om neven en nichten, oom en
nichtje etc.
Uitwendige huwelijksvereisten (formaliteiten).
Kenbaar maken van het voornemen te huwen. Dit moet aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand. 1 van de 2 moet zijn verblijfplaats in NL hebben. Heet geen van beide dit,
dat moet 1 van beiden in ieder geval de Nederlandse nationaliteit hebben. In verband met
het kenbaar gemaakte voornemen om te huwen rust op de ambtenaar van de burgerlijke
stand de verplichting van 1:48 om de rechtbank mee te delen dat degene die wil hertrouwen
het gezag heeft over kinderen uit het vorige huwelijk. Indien na het kenbaar maken van het
voornemen om te trouwen 1 van de partijen weigert het huwelijk aan te gaan, kan dit grond
opleveren tot schadevergoeding 1:49.
De wettelijke regeling in afdeling 4 spreekt grotendeels voor zichzelf; derhalve worden hier
slechts in het kort de belangrijkste regels gegeven:
1. Het huwelijk wordt in het openbaar voltrokken op een plek die is aangewezen als
huis der gemeenten van de gemeente die de aanstaande echtgenoten hebben
aangewezen; partijen moeten in persoon verschijnen; ten minste twee en ten
hoogste vier getuigen moeten aanwezig zijn (1:63 jo 1:65)
2. Het huwelijk wordt voltrokken door partijen, doordat zij de voorgeschreven
verklaringen afleggen; de ambtenaar verklaart daarna dat partijen gehuwd zijn en
maakt daarvan een akte op (1:67)
3. Indien de ambtenaar van de burgerlijke stand weigert aan een huwelijksvoltrekking
mee te werken, kunnen partijen zich bij verzoekschrift tot de rechtbank wenden
(1:27)
Tussen de dag na de datum van het kenbaar maken van het voornemen van een huwelijk
en de dag van de voltrekking moeten ten minste 14 dagen liggen (1:62 lid 1).
In bijzondere gevallen kan van de voor normale gevallen geldende regelingen worden
afgeweken:
, 1. Indien 1 vd 2 niet naar het gemeentehuis kon komen, dan is de aanwezigheid van 6
getuigen noodzaken - 1:64
2. Uit hoofde van gewichtige redenen kan een van de partijen zich met vergunning laten
vertegenwoordigen - 1:66
Het internationaal privaatrecht inzake de huwelijksbevoegdheid, de vorm van de
huwelijksvoltrekking en de erkenning van de geldigheid is neergelegd in art 10:27 - 10:34.
Als een Nederlander in het buitenland een huwelijk wil aangaan, zal hij moeten aantonen dat
hij daartoe bevoegd is. Dit kan op grote problemen stuiten.
Wat betreft de vorm van de huwelijksvoltrekking is in NL slechts een huwelijk dat is
voltrokken ten overstaan van een ambtenaar van de burgerlijke stand geldig.
Een huwelijk dat rechtsgeldig tot stand is gekomen volgens het recht van de Staat waar het
is voltrokken, wordt in NL,behoudens strijd met de openbare orde, als geldig erkend.
, Hoofdstuk 8 (met uitzondering van onderdelen 37g, 37h);
Het geregistreerd partnerschap is een familierechtelijke relatie naast en gelijkwaardig aan
het huwelijk. Verreweg de meeste van de regels die gelden voor het huwelijk, gelden ook
voor het gp.. Dat betreft zowel de regels uit titel 5, 6-8 en titel 9.
Huwelijk en gp verschillen in rechtsgevolgen nauwelijks van elkaar. De belangrijkste nog
bestaande verschillen zijn de volgende:
- Verdragen die op het huwelijk betrekking hebben, hebben geen gelding ten aanzien
van het gp. Het betreft vooral verdragen op het terrein van internationaal
privaatrecht.
- Het gp komt tot stand door ondertekening van de akte van registratie van
partnerschap en niet door het afleggen van een mondelinge verklaring, zoal bij het
huwelijk (1:67)
- Art 1:68 geldt niet bij het gp.
- De scheiding van tafel en bed geldt niet bij het gp en evenmin de ontbinding van het
huwelijk na scheiding van tafel en bed
- De beëindiging van het gp bij onderling goedvinden kan buiten de rechter om
geschieden, mits de partners geen minderjarige kinderen hebben over wie zij - kort
gezegd en behouden een enkele uitzondering - gezamenlijk het gezag uitoefenen
(1:80c lid 1 onder 3 en lid 3).
De inwendige en uitwendige vereisten voor het aangaan van een gp zijn dezelfde als voor
het aangaan van een huwelijk. Daarbij verdient opmerking dat de eis van monogamie voor
het gp is opgenomen in 1:80a lid 1 en 2.
De regels voor stuiting en nietigverklaring van een een huwelijk gelden ook voor die van gp.
De voltrekking geschiedt vrijwel op dezelfde wijze als die van het huwelijk. De aanstaande
gp leggen alleen geen mondelinge verklaring af.
Volgens 1:80c lid 1 eindigt het gp door:
a. De dood
b. Een nieuw gp of huwelijk na vermissing van een gp
c. Met wederzijds goedvinden door inschrijving van een verklaring van bepaalde inhoud
d. Door ontbinding op verzoek van de partners of een van hen
e. Door omzetting van een gp in een huwelijk
Beëindiging van het gp met wederzijds goedvinden buiten de rechter om is alleen mogelijk,
indien de gp of 1 van hen geen minderjarige kinderen hebben over wie zij gezamenlijk het
gezag uitoefent dan wel 1 van hen onder omstandigheden alleen het gezag uitoefent over
hun gezamenlijke kind (1:80c lid 3).
De beëindiging buiten de rechter om geschiedt door inschrijving in de registers van de
burgerlijke stand van een verklaring. Deze moet aan de volgende eisen voldoen: (1:80c lid 1
onder c)
- Ondertekend door beide partners
- Ondertekend door een of meer advocaten of notarissen
- Uit de verklaring blijkt dat en op welk tijdstip de partners een overeenkomst omtrent