Biosfeer: Het wereldwijde ecosysteem, de laag om de aarde waarin leven voorkomt.
Ecosysteem: Het geheel van organismen in een bepaald gebied die interacteren met elkaar
en met de omgeving. Het gaat om biotische (levende componenten: voedsel,
ziekteverwekkers enz.) als abiotisch (levenloze componenten)
Levensgemeenschap: Alle levende organismen die in een bepaald gebied voorkomen. Het
gaat om de interactie tussen soorten.
Habitat: De biotische en abiotische omgeving waarin een soort leeft en overleeft. De
leefomgeving is synoniem voor habitat.
Biotoop: Een biotoop gaat het alleen om de abiotische factoren. Het geografische gebied
waar een soort voorkomt.
Populatie: Een groep individuen van één soort in een bepaalde omgeving/gebied
Territorium: Een tegen soortgenoten verdedigd leefgebied (door een enkel organisme of
door een groep). Het is een gebied om voedsel te zoeken en de jongen te verzorgen.
Niche: ‘de rol die een organisme speelt binnen het ecosysteem binnen de beschikbare
ruimte. (Eten, door wie gegeten etc.)
Organische moleculen: bevatten minimaal een combinatie van C-, H- en O-atomen* (bijv.
C6H12O6, C2H6OH en C5H10N2O3)
Anorganische moleculen: alle moleculen die niet tot de organische stoffen behoren (bijv.
H2O, O2 en NO3-)
17.1 Het ecosysteem stad
In een ecosysteem energie gehaald uit organische en anorganische stoffen.
1. Autotrofe organismen: Kunnen van anorganische moleculen, organische stoffen
maken.
Foto-autotroof: gebruiken licht als energiebron (fotosynthese)
6 H2O + 6 CO2 → C6H12O6 + 6 O2
Chemo-autotroof: gebruiken energie die vrijkomt bij de oxidatie van
bepaalde anorganische stoffen. Wordt ook wel chemosynthese genoemd
(zie BINAS 69D). Een voorbeeld zijn nitraat bacteriën: 2NO2- + O2 → 2NO3- +
energie/ 4 elektronen
2. Heterotrofe organismen: Kunnen geen organische stoffen maken van anorganische
stoffen.
Door verschillende vormen van energieproductie
ontstaat er symbiose: het langdurig samenleven van
twee of meer organismen van verschillende soorten,
waarbij de samenleving voor tenminste één van de twee
noodzakelijk is.
Predatie: wanneer de ene soort (de predator) de
andere soort (de prooi) opeet.
Vraat: het opeten van (delen van) planten
1
, Producenten van het ecosysteem: foto- en chemo autotrofe organismen. Ze leveren
energie voor bouwstof of brandstof. Waarbij een deel van de energie vrijkomt in warmte.
Producent: Organisme dat anorganische moleculen kan omzetten in organische moleculen
Zijn dus altijd autotroof en staan altijd aan begin van voedsel keten
Consument: Organisme dat leeft van andere organismen, zonder het geheel om te zetten in
anorganische stoffen. Zijn dus heterotroof.
Planteneters (=herbivoor) zijn consument 1e orde
vleeseters (=carnivoor) zijn consument 2e//3e/4e orde enz.
aan eind van een keten staat meestal een toppredator (let op: het moet wel een predator
zijn!)
Trofische niveau: ook wel voedingsniveau
Detrivoor (afvaleter, in BINAS93B ook wel saprovoren) Voedt zich met dood organisch
materiaal (zijn dus heterotroof) en breekt deze af in kleinere organische moleculen
Reducent: Organisme die zich voedt met dood organisch materiaal, zijn dus ook heterotroof
meestal niet in voedselketen weergegeven
Voedsel web: Een voedsel web bevat meerdere voedselketens. Heeft geeft de relaties in
een leefgemeenschap weer.
Bruto primaire productie (BPP): De totale
biomassa die door de producenten in een
ecosysteem wordt geproduceerd
Netto primaire productie (NPP): De
vastgelegde biomassa (groei), de NPP
komt beschikbaar voor de het volgende
trofische niveau.
NPP = BPP – dissimilatie
Microklimaat: als de omstandigheden op een kleine schaal anders zijn dan je op basis van
het klimaat zou verwachten. Door geografische omstandigheden, begroeiing, windrichting en
menselijk ingrijpen).
Heeft invloed op de flora en fauna. ‘Survival of the Fittest’
2