Wat is het model van Super en Harkness?
Developmental niche. Elk subsysteem heeft een eigen wisselwerking met de wijdere culturele en
ecologische context. Model laat de culturele regulatie zien van de micro-omgeving van een kind. Het
bestaat uit 3 componenten, namelijk:
- de psychologie van de ouders: opvoedingsdoelen, opvoedbeleving, waarden
- de gewoonten van opvoeding en verzorging: slaapgewoonten, informeel leren of formeel,
opvoedgedrag, kids naar school sturen (bij moslims meiden niet naar school en in NL wel).
- de sociale en fysieke settingen: waar een kind woont, slaapt, materialen thuis, de mensen in
de directe omgeving van het kind.
Is dit een goed model om migrantgroepen in te plaatsen?:Ja, want dit model houdt rekening met de
cultuur van groepen. Het kijkt naar de invloed van cultuur. Daarnaast is dit model een open systeem
en daarmee staat het open voor veranderingen. Bijvoorbeeld eerst woonde een groep in Turkije en nu
in Nederland(setting). En eerst waren autoritaire opvoedstijlen normaal, maar nu meer autoritatief
(psychologie). Of eerst werd er heel veel onderscheid gemaakt in de opvoeding van jongens en
meisjes, maar in Nl een stuk minder (gewoonten). Maar het kan ook een gesloten systeem zijn
bijvoorbeeld wanneer moslims in Nederland naar de moskee gaan. Of wanneer ze nog steeds een
autoritaire opvoedstijl hanteren of nog steeds heel veel onderscheid maken tussen jongens en
meisjes. Het is ook een homeostatisch systeem. Dit betekent dat als er veranderingen optreden in 1
subsysteem, treden er ook veranderingen op in de andere 2 subsystemen, zodat het weer in
evenwicht is. Bijvoorbeeld de setting verandert bij migrantgroepen→ ze verhuizen van Marokko naar
Nederland. Daardoor verandert ook de opvoedstijl van autoritair naar meer autoritatief (psychologie
van ouders) en er wordt ook minder onderscheid gemaakt in opvoeding van jongens en meisjes
(gewoonten van opvoeding en verzorging) of meisjes wel naar school door emancipatieprocessen.
Heeft cultuur invloed op opvoeding?
Volgens het onderzoek van Durgel naar ontwikkelingsverwachtingen, opvoedgedrag en origine van de
moeder blijkt dat verschillen in opvoeding voornamelijk verklaard kunnen worden door
sociaaleconomische omstandigheden en onderwijs van de moeder. Allochtonen laten meer
oudergecentreerd zien en autochtonen meer kindgericht. 111 NL en 111 T en 242 in T
Onderzoek van Mesman naar sensitiviteit in gezinnen van kinderen tussen de 0 en 5 jaar laat zien dat
stress ervoor kan zorgen dat sensitiviteit lager is. Hieruit blijkt dus ook dat cultuur geen invloed heeft.
Onderzoek van Huijbrechts onder professionele kind verzorgers uit T,M,A,S en NL laat zien dat er
verschillen bestaan in gedachten over opvoeding en dat dit deels verklaard wordt door cultuur, maar
ook door de professionele training die deze mensen hebben gevolgd.
Open: kind past zich aan aan de setting→ aanpassen aan NL
Gesloten: setting past zich aan aan het kind → Moskee in NL
Voorbeeld onderzoeksopzet (die gevraagd kan worden op de toets)
Longitudinaal bij etnische id, grote sample, meerder informanten, T Turkije en T migrant en
Nederland, dus 2 vergelijkingsgroepen. Instrument: CBCL. Meenemen van SES, gezinsstructuur,
opvoedingswaarden/doelen
Onderzoeksvraag: een vraag die betrekking heeft op iets wat niet uit eerder onderzoek gebleken is.
Welke informanten?: meerdere (!!)
Onderzoeksgroep: Welke leeftijd? Grote sample
Wat voor onderzoek?: longitudinaal en vragenlijsten of observatie
Wat wil je onderzoeken: internaliserend en externaliserend,
Instrumenten: CBCL, SDQ want valide
, Achtergrondvariabelen: SES, stress, discriminatie, familiestructuur, migratiegs, kenmerken groepen,
kenmerken ontvangende land, leeftijd, geslacht, niet op 1 hoop gooien.
Vergelijkingsgroep: meerdere nationaliteiten
Onderzoeksvoorstel om probleemgedrag te onderzoeken bij kinderen met een migratieachtergrond.
Wat nog niet uit eerder onderzoek is gebleken→ nog geen longitudinaal gedaan dus dat doen en 2
controlegroepen (nog niet gebleken uit Bean bijvoorbeeld).
Populatie: kids met migratieachtergrond, controlegroep in land herkomst en controlegroep in
ontvangend land. Minstens 100 per groep.
Hoe: CBCL, want deze is valide, ouderrapportages, mogelijk ook leraarrapportages
Moderatoren: leeftijd, geslacht, cultuur, SES, migratiekenmerken, familiekenmerken
+alles heel goed uitleggen!!
Onderbouwing: Uit het longitudinale onderzoek van Bean naar vluchtelingen in NL werd gevonden dat
vluchtelingen op het eerste moment GEDRAGSPROBLEMEN hadden en dat dit een voorspeller is van
GEDRAGSPROBLEMEN op het tweede moment. Echter kan niet met zekerheid geconcludeerd worden
dat dit meer is dan de Nle groep, want er was geen controlegroep. Ook was er geen overstemming
tussen informanten, waardoor het niet zeker is. Leeftijd 11 tot 17.5. Veel verschillende nationaliteiten.
Ook waren er op het tweede meetmoment veel minder participanten en dit kunnen de meest
getraumatiseerde zijn en dan heb je nog steeds geen goed beeld ervan.
Dit is dus een reden om vervolgonderzoek te doen en de beperkingen van Bean bijvoorbeeld mee te
nemen in dat vervolgonderzoek.
Informanten: Voogd, leraar en zelf.
Wat: Internaliserende stress, externaliserende GEDRAGSPROBLEMEN,
Internaliserend meer en traumatische stress reacties ook meer
Beperking:
- vragen niet goed begrepen doordat het zoveel verschillende culturen
- geen controlegroep
- informanten slecht overeen
- minder bij 2e meetmoment→ onderschatting mogelijk
Evalueer deze stelling: ‘Het land waar iemand naartoe emigreert heeft invloed op prevalentie PG’
Uit een review die keek naar de prevalentie van probleemgedragingen bij migrantgroepen in
vergelijking met de native bevolking blijkt dat het
- kan wel door de aanname van hooggeschoolde of laaggeschoolde, in Nederland bijvoorbeeld
arbeidsmigranten→ vaker lage sociale positie en vaker GEDRAGSPROBLEMEN.
- Ligt ook aan de mate van multicultarisatie in een land en of er sprake is van discriminatie→
discriminatie kan ervoor zorgen dat mensen mee.
- Maar ook andere factoren kunnen een rol spelen in de prevalentie van PG. Zo blijkt uit het
onderzoek van Jansen onder 1.5 jarige kinderen dat GEDRAGSPROBLEMEN ook deels
verklaard kan worden door familierisicofactoren.
- Dus het land waar iemand naartoe emigreert kan zeker van invloed zijn, maar er kunnen nog
meer factoren van invloed zijn.
Evalueer deze stelling: ‘Wie het probleemgedrag rapporteert heeft invloed op de prevalentie van PG’
- Geen overstemming kan ervoor zorgen dat het moeilijk is om conclusies te trekken.