Kidney Physiology
Regulatie en Integratie
Functies nieren
Uitscheiding van afvalproducten (ureum, creatinine, bilirubine)
Regulatie van homeostase lichaamsvloeistoffen (elektrolyten, zuur-base, volume)
Productie hormonen (renine, epo, calcitriol)
Glucose synthese (gluconeogenese)
Filtratie – resorptie + secretie = excretie
Filtratie
20% van het plasma dat de glomerulus in gaat, wordt gefilterd. Hiervan wordt minder dan 1%
uitgescheiden. Meer dan 99% van het plasma in de afferente arteriole komt uiteindelijk weer terug in
de renale vene.
Nier krijgt 20% van de cardiac output (CO = 5 L/min). Dit betekent dat er 180 L/dag wordt gefilterd. Er
wordt maar 1,5 L urine per dag uitgescheiden.
RPF = 600 mL/min. Dit is anders dan renale bloed flow, want hierbij zitten ook bloedcellen. Hiervan
wordt 120 mL/min gefilterd (=GFR).
Mesangiale cellen in bloedvaten zorgen voor een bepaalde structuur in dit bloedvat. Podocyten zijn
de epitheelcellen in het viscerale deel van het kapsel van Bowman. Podocyten hebben een soort
armen (podocyte foot processes), net als een octopus. Deze armen klemmen het bloedvat in.
Om delen uit het bloed te laten gaan moet het eerst het membraan van endotheelcellen passeren,
daarna basement membraan en dan de podocyten. Het endotheel bevat fenestrae, tussen
podocyten zit slit diafragma. Hierdoorheen kunnen alleen kleine moleculen.
Hoe makkelijk iets wordt gefilterd is afhankelijk van de grootte en de lading. Hoe groter, hoe minder
het gefilterd wordt. Positieve deeltjes worden makkelijker gefilterd dan negatieve deeltjes. De
filtratiebarrière is namelijk ook negatief. Albumine is het kleinste deeltje dat niet meer gefilterd
wordt.
Bij diabetes wordt het basement membraan dikker, fibrose van mesangiale cellen en de negatieve
lading van de barrière verdwijnt. Hierdoor worden eiwitten makkelijker gefiltreerd.
De druk waardoor filtratie gebeurt is 10 mmHg.
Autoregulatie GFR
In afferente en efferente arteriolen is er een plotseling drop van bloeddruk. De bloeddruk in
glomerulus is 50 mmHg.
Hoe meer weerstand in de afferente arteriolen, hoe lager de GFR wordt, omdat er minder bloed naar
de glomerulus stroomt. Als de weerstand in de efferente arteriolen stijgt, zal de GFR eerst stijgen.
Als de weerstand meer dan 2x stijgt, zal de GFR afnemen.
De autoregulatie bestaat uit myogenetische respons en tubulo-glomerulaire feedback
(juxtaglomerulair apparaat).
Myogenetisch uitrekking afferente arteriole geeft seintje dat zorgt voor vasoconstrictie, hierdoor
blijft de bloeddruk in de GFR ongeveer gelijk.
Regulatie en Integratie
Functies nieren
Uitscheiding van afvalproducten (ureum, creatinine, bilirubine)
Regulatie van homeostase lichaamsvloeistoffen (elektrolyten, zuur-base, volume)
Productie hormonen (renine, epo, calcitriol)
Glucose synthese (gluconeogenese)
Filtratie – resorptie + secretie = excretie
Filtratie
20% van het plasma dat de glomerulus in gaat, wordt gefilterd. Hiervan wordt minder dan 1%
uitgescheiden. Meer dan 99% van het plasma in de afferente arteriole komt uiteindelijk weer terug in
de renale vene.
Nier krijgt 20% van de cardiac output (CO = 5 L/min). Dit betekent dat er 180 L/dag wordt gefilterd. Er
wordt maar 1,5 L urine per dag uitgescheiden.
RPF = 600 mL/min. Dit is anders dan renale bloed flow, want hierbij zitten ook bloedcellen. Hiervan
wordt 120 mL/min gefilterd (=GFR).
Mesangiale cellen in bloedvaten zorgen voor een bepaalde structuur in dit bloedvat. Podocyten zijn
de epitheelcellen in het viscerale deel van het kapsel van Bowman. Podocyten hebben een soort
armen (podocyte foot processes), net als een octopus. Deze armen klemmen het bloedvat in.
Om delen uit het bloed te laten gaan moet het eerst het membraan van endotheelcellen passeren,
daarna basement membraan en dan de podocyten. Het endotheel bevat fenestrae, tussen
podocyten zit slit diafragma. Hierdoorheen kunnen alleen kleine moleculen.
Hoe makkelijk iets wordt gefilterd is afhankelijk van de grootte en de lading. Hoe groter, hoe minder
het gefilterd wordt. Positieve deeltjes worden makkelijker gefilterd dan negatieve deeltjes. De
filtratiebarrière is namelijk ook negatief. Albumine is het kleinste deeltje dat niet meer gefilterd
wordt.
Bij diabetes wordt het basement membraan dikker, fibrose van mesangiale cellen en de negatieve
lading van de barrière verdwijnt. Hierdoor worden eiwitten makkelijker gefiltreerd.
De druk waardoor filtratie gebeurt is 10 mmHg.
Autoregulatie GFR
In afferente en efferente arteriolen is er een plotseling drop van bloeddruk. De bloeddruk in
glomerulus is 50 mmHg.
Hoe meer weerstand in de afferente arteriolen, hoe lager de GFR wordt, omdat er minder bloed naar
de glomerulus stroomt. Als de weerstand in de efferente arteriolen stijgt, zal de GFR eerst stijgen.
Als de weerstand meer dan 2x stijgt, zal de GFR afnemen.
De autoregulatie bestaat uit myogenetische respons en tubulo-glomerulaire feedback
(juxtaglomerulair apparaat).
Myogenetisch uitrekking afferente arteriole geeft seintje dat zorgt voor vasoconstrictie, hierdoor
blijft de bloeddruk in de GFR ongeveer gelijk.