Het verband tussen het geweldsmonopolie van de overheid en het
verbod tot eigenrichting uitleggen;
Geweldsmonopolie alleen de overheid mag geweld toepassen om de
regelgeving te handhaven
Eigen richting burgers spelen voor eigen rechter, door geweld te gebruiken
Verband als er geen geweldsmonopolie zou zijn, dan zouden burgers het hef in
eigen handen nemen door daders zelf aan te pakken door middel van geweld. Dit
gebeurt nu ook nog wel, maar wanneer er geen geweldsmonopolie zou zijn, dan
zou dit de normaalste zaak van de wereld zijn.
Monopolie op straffen alleen de overheid (OM), mag een dader straffen.
Het begrip legaliteitsbeginsel definiëren en dit beginsel toepassen op
een eenvoudige casus;
strafbare feiten onderscheiden in misdrijven en overtredingen;
legaliteitsbeginsel binnen het strafrecht een feit is alleen strafbaar als er voor
dat feit een wettelijke bepaling bestaat. Te vinden in art. 16 Gw en art. 1 Sr
Art. 1 Sr: materieelrechtelijk legaliteitsbeginsel
- Strafbepaling moet staan in de wet
(boete voor groene schoenen? Dat moet in de wet staan.)
- Verbod van terugwerkende kracht
Alleen de op het moment geldende wet, die geldt voor dat moment. Dus
niet strafbaar stellen voor een strafbepaling die pas volgende maand van
kracht is.
- Voldoende duidelijk
Verboden gedrag moet duidelijk zijn voor iedereen en wat voor sanctie
erop staat.
Dit heet het lex certa beginsel.
Het verschil aangeven tussen formeel en materieel strafrecht en deze
begrippen toepassen op een eenvoudige casus;
Formeel strafrecht betreft regels over hoe de politie, justitie en rechters te
werk moeten gaan, vanaf het moment dat er een strafbaar feit is gepleegd. Te
vinden in Wetboek van Strafvordering.
Materieel strafrecht betreft regels over wat er precies strafbaar is en welke
straf daarvoor staat. Te vinden in Wetboek van Strafrecht.
Verschil materieel strafrecht bevat de strafbare gedragingen en de straf en
het formeel strafrecht bevat regels omtrent het strafproces.
Materieel strafrecht: Wetboek van Strafrecht
- Boek 1 algemeen deel, verschillende soorten straffen.
- Boek 2 misdrijven, zware vergrijpen zoals moord, diefstal etc.
Dader komt dan terecht bij politierechter of meervoudige kamer
- Boek 3 overtredingen
Dader komt dan terecht bij kantonrechter.
1
,Zijn de hieronder genoemde strafbare feiten misdrijven of
overtredingen?
Art. 300 Sr
Misdrijf, staat in boek 2. Boek 2 gaat over misdrijven.
Art. 453 Sr
Overtreding. Het staat in boek 3 en daarin zijn de overtredingen opgenomen.
Art. 6 WVW
Misdrijf. Hierbij hoort art. 175 WVW, waarin de sanctie opgenomen staat.
En in art. 178 WVW staat dat strafbare feiten die in art. 175 WVW staan,
misdrijven zijn.
In art. 177 WVW staan strafbare feiten die als overtreding worden gezien.
Dus altijd toetsen aan art. 175 WVW, art. 177 WVW en art. 178 WVW.
Verschil overtreding en misdrijf verschil in dwangmiddelen. Bij misdrijf mag je
iemand vastzetten voor verhoor etc.
Leidende en actieve rechter
Rechter stelt vragen, heeft de leiding tijdens de zitting, luistert niet alleen naar
de partijen.
Strafrecht te onderscheiden in:
- Commune strafrecht
- van Strafrecht
- Wetboek van Strafvordering
Bijzonder strafrecht
- Wvw1994 (Wegenverkeerswet 1994)
- WWM (Wet wapens en munitie)
- OW (Opiumwet)
De vier voorwaarden voor een strafbaar feit benoemen en toepassen op
een eenvoudige casus;
- Menselijke gedraging
- Een doelbewuste beweging maken. Bewust van het gevolg iets toch doen.
Bv. iemand doodschieten.
- Menselijke gedraging valt binnen delictsomschrijving
Er moet een wetsartikel zijn die overeenkomst met de menselijke
gedraging die is tenlastegelegd.
Bv. iemand expres en met voorbedachten rade vermoorden moord art.
289 Sr
BESTANDDEEL EN ELEMENTEN TOETSEN AAN FEITEN.
- Menselijke gedraging is wederrechtelijk
2
, Er is gehandeld in strijd met het recht, tenzij de verdachte zich kan
beroepen op een rechtvaardigingsgrond.
- Menselijk gedrag is aan schuld te wijten
De verdachte had anders kunnen handelen/zich anders kunnen gedragen,
tenzij de verdachte zich kan beroepen op een schulduitsluitingsgrond.
‘’Kon van verdachte worden gevergd, dat hij zich anders gedroeg, dan hij
deed.’’
De begrippen bestanddeel en element toelichten en het verschil tussen
beide begrippen aan de hand van een voorbeeld uitleggen.
Bestanddeel moet bewezen worden. Zijn specifieke geschreven voorwaarden
voor strafbaarheid.
Elementen de rechter gaat er vanuit dat ze aanwezig zijn. Dit zijn schuld en
wederrechtelijkheid.
Tenzij ze in de delictsomschrijving staan, dan zijn het bestanddelen.
Er wordt vanuit gegaan dat er aan de elementen wordt voldaan, tenzij er een feit
is waardoor de schuld of wederrechtelijkheid wordt weggenomen.
Bv.
Art. 302 lid 1 Sr
Hij die aan een ander opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toebrengt
(bestanddeel), wordt, als schuldig aan zware mishandeling
(kwalificatie), gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren
of geldboete van de vijfde categorie (straf)
Elementen schuld en wederrechtelijkheid
Art. 287 Sr
Hij die opzettelijk een ander van het leven berooft(bestanddeel), wordt,
als schuldig aan doodslag (kwalificatie) gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie
(straf)
Elementen schuld en wederrechtelijkheid
Art. 350 Sr
Hij die opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele
aan een ander toebehoort, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of
wegmaakt(bestanddeel), wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie(straf).
Wederrechtelijkheid is hier bestanddeel en geen element.
Schuld is wel het element in deze bepaling.
3
,Week 2
Het begrip verdachte uitleggen en dit begrip toepassen op een
eenvoudige casus;
Art. 27 lid 1 Sv
- Een (rechts)persoon
- Wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld vloeit
Objectieve gegevens. Bijvoorbeeld getuigenverklaring, proces-verbaal,
camerabeelden etc.
- Aan enig strafbaar feit voortvloeit.
Er moet sprake zijn van een strafbaar feit. Uitwerken a.h.v. week 1.
Casus – verdachte?
In een café heeft een mishandeling plaatsgevonden. De politie
arriveert, maar het blijkt niet duidelijk te zijn wie het heeft gedaan. De
politie ziet een bekende vechtersbaas. Mogen ze er vanuit gaan dat hij
het wel zal hebben begaan?
Antwoord: nee, er zijn geen objectieve gegevens dat de vechtersbaas
het heeft gedaan. Het zou anders zijn als de vechtersbaas onder het
bloed zat etc.
Verdachte – jurisprudentie
Hollende Kleurling arrest
HR Stormsteeg
De rechten van de verdachte benoemen;
Onschuldpresumptie art. 6 EVRM
Verdachte is onschuldig tot het tegendeel is bewezen.
Nemo-teneturbeginsel art. 29 lid 1 Sv
Verdachte is niet verplicht om aan zijn eigen veroordeling mee te werken.
Cautie art. 29 lid 2 Sv
Verdachte heeft zwijgrecht, dit moet aan hem medegedeeld worden.
Pressieverbod art. 29 Sv
Verdachte mag niet worden gedwongen om een verklaring af te leggen.
Bijstand door raadsman art. 28 lid 1 Sv
Kennisneming van processtukken art. 30 t/m 33 Sv
Verdachte mag de processtukken van zijn zaak inzien.
Uitleggen welke andere procesdeelnemers (naast de verdachte) in het
strafproces van belang zijn;
Getuige een getuige is verplicht om te verklaren, maar een verdachte niet.
Deskundige OvJ of een rechter kan een deskundige aanwijzen die een
onderzoek gaat verrichten.
4
,Officier van Justitie degene die de verdachte vervolgt namens het OM en
slachtoffer.
De vrijheidsbenemende dwangmiddelen te weten: staande houden,
aanhouden, ophouden voor verhoor en inverzekeringstelling, aan de
hand van de wet toelichten en toepassen op een eenvoudige casus;
Opvolgorde:
Staande houden art. 52 Sv
Wordt gedaan door een opsporingsambtenaar om ID te controleren.
Aanhouden
Indien blijkt dat persoon die staande is gehouden, ook de persoon is die wordt
gezocht, dan wordt hij aangehouden en wordt hij meegenomen naar het
politiebureau
Aanhouden op heterdaad art. 53 Sv
- Door een opsporingsambtenaar
- Door een burger
Wanneer is iets op heterdaad art. 128 Sv
- Aanhouden tijdens het uitvoeren van het strafbare feit
- Aanhouden direct na het uitvoeren van een strafbaar feit
Aanhouden buiten heterdaad art. 54 Sv
- Mag alleen door een opsporingsambtenaar op bevel van de OvJ.
- Alleen indien er voorlopige hechtenis op het strafbare feit mogelijk is.
Art. 67 Sv wanneer voorlopige hechtenis mogelijk is
Hoofdregel een feit waarvoor vier jaar of langer op staat
Ophouden voor verhoor
- Maximaal 9 uur voor feiten waarop voorlopige hechtenis staat art. 56a
lid 2 Sv
Tussen 00:00 en 09:00 wordt niet meegeteld.
- Maximaal 6 uur voor feiten waar geen voorlopige hechtenis staat art.
56a lid 2 Sv
Tussen 00:00 en 09:00 wordt niet meegeteld.
- Op politiebureau
*** TOETSEN AAN art. 67 Sv of er voorlopige hechtenis staat.
Inverzekeringstelling art. 57 Sv
- In belang van het onderzoek nog voor maximaal drie dagen vasthouden
- Op bevel van OvJ of hulpofficier
- Kan met maximaal drie dagen worden verlengd art. 58 lid 2 Sv
- Alleen bij feiten waar voorlopige hechtenis op staat art. 58 lid 1 Sv
- Op politiebureau
Redenen kunnen zijn:
5
, - Gevaar voor het beïnvloeden van getuigen
- Vluchtgevaar
De vrijheidsbenemende dwangmiddelen die onderdeel uitmaken van de
voorlopige hechtenis, te weten: de bewaring, de gevangenhouding en
de gevangenneming, aan de hand van de wet toelichten.
Voorlopige hechtenis vastzitten voorafgaand de inhoudelijke behandeling
van de strafzaak
Inbewaringstelling art. 63 Sv
- Alleen op bevel van rechter-commissaris art. 63 lid 1 Sv
- Maximaal 14 dagen art. 64 lid 2 Sv
- Alleen bij voorlopige hechtenis toetsen aan art. 67 SV
- In huis van bewaring
Gevangenhouding art. 65 Sv
- Raadkamer rechtbank beslist art. 65 en 66 Sv
- Eerst wordt verdachte gehoord, alvorens wordt besloten art. 65 Sv
- 30 dagen, maximaal 90 dagen (3x 30 dagen) art. 66 Sv
Gevangenneming
- Zelfde regels als bij gevangenhouding
- Raadkamer rechtbank beslist art. 65 en 66 Sv
- Eerst wordt verdachte gehoord, alvorens wordt besloten art. 65 Sv
- 30 dagen, maximaal 90 dagen (3x 30 dagen) art. 66 Sv
- Verschil met gevangenhouding verdachte is op vrije voeten en niet in
bewaring
Voorarrest / maximaal aantal dagen waarbinnen een rechtszaak moet beginnen
110 dagen
- 2 x 3 dagen inverzekeringstelling
- Maximaal 14 dagen bewaring
- Maximaal 90 dagen gevangenhouding
Dwangmiddel beperkingen van de vrijheid van een persoon die wordt
onderzocht ivm strafbare feiten.
Richtvragen bij rechtmatig toepassen dwangmiddel:
- Door wie opsporingsambtenaar/OvJ/hulpofficier/Raadkamer Rechtbank
- Tegen wie verdachte, uitwerken
o (rechts)persoon
o Vermoeden van schuld/feitelijkheden
o Strafbaar feit
Menselijke gedraging
Delictsomschrijving
Wederrechtelijkheid
Schuld
- Voor welke feiten VH-feiten (art. 58 Sv, inverzekeringstelling)
6
, ( art. 67 Sv welke feiten staat voorlopige hechtenis op)
- Met welk doel onderzoeksbelang (bv. vluchtgevaar, getuigen
beïnvloeden)
Week 3
De chronologie van het strafproces beschrijven;
1. Opsporingsonderzoek
In deze fase wordt bewijsmateriaal verzameld. De officier van justitie besluit
dan om een zaak wel of niet aan de rechter voor te leggen. De OvJ is
verantwoordelijk voor het opsporingsonderzoek.
2. Onderzoek ter terechtzitting
De zaak wordt gestart door middel van een dagvaarding uit te reiken aan de
verdachte door de OvJ art. 258 Sv
Vervolgens begint het onderzoek ter terechtzitting door het uitroepen van de
zaak tegen de verdachte art. 270 Sv
Er wordt dan geprobeerd om te achterhalen wat er precies is gebeurd.
3. Beraadslaging en uitspraak
In deze fase moet de rechtbank tot zijn beslissing komen. Heeft de verdachte
een strafbaar feit gepleegd? Zo, ja welke straf moet hij hiervoor krijgen? Art.
348 juncto 350 Sv. Er kunnen dan negen vragen worden beantwoord. De
rechter is gebonden aan de wet tot de soort straf die hij kan opleggen en de
hoogte van die straf.
Einduitspraak art. 359 Sv
4. Rechtsmiddelen
Na de zaak in eerste aanleg is nog Hoger Beroep en cassatieberoep mogelijk
om de beslissing aan te vechten.
Kan door beide partijen ingesteld worden.
5. Tenuitvoerlegging
Het vonnis gaat in kracht van gewijsde, indien er geen rechtsmiddelen meer
openstaan. Het vonnis wordt dan tenuitvoergelegd.
Het vonnis/arrest is dan onherroepelijk art. 557 SV
7
, De begrippen opportuniteitsbeginsel en vervolgingsmonopolie
definiëren en uitleggen;
Opportuniteitsbeginsel art. 167 lid 2 Sv
De officier van justitie mag zelf beslissen of hij een verdachte vervolgt voor een
strafbaar feit of niet. Het moet dan wel in het algemeen belang zijn.
Het OM heeft dus het recht om te vervolgen, maar niet de plicht.
Niet mee eens? art. 12 Sv beklagprocedure. Klacht indienen als direct
belanghebbende bij het Gerechtshof (binnen arrondissement waar is besloten om
niet te vervolgen).
Uitgangspunt waaruit voortvloeit dat het Openbaar Ministerie niet alle strafbare
feiten hoeft te vervolgen, maar een keuze kan maken op grond van het
algemeen belang.
Vervolgingsmonopolie art. 124 Ro
Alleen het Openbaar Ministerie (OvJ) is bevoegd om een verdachte te vervolgen.
Het uitsluitende recht om te kunnen vervolgen. De vervolging van strafbare
feiten is geheel in handen gelegd van het Openbaar Ministerie. Slechts het OM
mag zaken bij de strafrechter aanbrengen. Er is geen ander ambt dat ook deze
bevoegdheid bezit, noch de burger zelf mag vervolgen.
Uitleggen wat een vervolgingsbeslissing is en de verschillende soorten
vervolgingsbeslissingen noemen en toelichten;
Vervolgingsbeslissing art. 167 lid 1 Sv
Beslissing van het Openbaar Ministerie om al dan niet te vervolgen.
Vervolgingsbeslissingen:
- Seponeren (geen vervolging)
De zaak houdt op:
- Technisch sepot
Bij onvoldoende bewijs.
Beslissing van het Openbaar Ministerie waarbij het afziet van vervolging
van een strafbaar feit, omdat het van mening is dat vervolging niet tot een
veroordeling zal leiden. Bijv. omdat voldoende bewijs ontbreekt of omdat
het feit of de verdachte niet strafbaar is
- Beleidssepot
Het is niet in het maatschappelijk belang om de verdachte te vervolgen.
- Transactie (geen vervolging)
Art. 74a Sr.
Betreft een boete. Als de verdachte niet binnen de termijn betaalt, dan
beslist de OvJ of hij de verdachte alsnog vervolgt.
8