Tentamen: 30 januari om 09:30
Leren: boek + powerpoints
Wat houdt het tentamen in?: iedereen krijgt een docu te zien en adhd schrijf je een
professionele brief. Hierbij wordt gelegd op alle dingen die je hebt geleerd en op goed
Nederlands (spelfouten).
Hoofdstuk 1
Schriftelijke communicatie speelt bij sociaal werkers een hele grote rol. Hierdoor wordt er
bijvoorbeeld informatie overgedragen over cliënten aan collega’s. Maar, ook bij de huisarts,
tandarts, ziekenhuis en waar dan ook wordt er gerapporteerd.
1.1; de rol van je referentiekader
Als jij zelf een verslag schrijft speelt jouw referentiekader daarbij een grote rol, bewust en
onbewust. Je zet namelijk je eigen gedachten op papier.
Referentiekader = factoren die bepalen welk beeld jij van de wereld hebt (en alles erin),
bijvoorbeeld je socialisatie, ervaringen en vrienden.
Als sociaal werker is het belangrijk dat je probeert zo objectief mogelijk te schrijven. Als je
toch je mening wilt geven, moet je je professionele mening geven en niet je persoonlijke
mening. Bewaar dus de nodige afstand.
1.2; de context waarbinnen je schrijft
Bij het schrijven moet je altijd rekening houden met de context en de rol die jij hebt in die
context:
- Naar wie schrijf je?
- In welke situatie schrijf je? (zakelijk, prive, professioneel)
- Zijn er ‘’ongeschreven regels’’ verbonden?
- Is er sprake van een specifieke woordkeus bij het schrijven? (formeel, informeel)
- Zijn er formele regels of gedragscodes?
1.3; parafraseren
Parafrase = een langer stuk tekst in je eigen woorden schrijven.
Jij weet waarschijnlijk heel veel over je cliënt omdat je nauw betrokken bent, maar een
collega hoeft alleen de kern te weten en wilt duidelijke en beknopte informatie.
Tips voor het parafraseren:
1. Verplaats je in de lezer
2. Wat moet de lezer echt weten om de situatie te begrijpen?
3. Laat voorbeelden weg
4. Beperk je tot hoofdlijnen, geen details
1
Hogeschool Leiden
, 5. Beperk je tot een deelonderwerp
1.4; overstijgend schrijven
Overstijgend schrijven = schrijven alsof je vanuit een helikopter op de situatie kijkt.
- Informatie ordenen en bewust inzetten
- Parafraseren
- Doel
1.5; feiten, meningen en interpretaties
Feit = iets wat waarneembaar en controleerbaar is.
- Data, gebeurtenissen, persoonsgegevens
- Voorbeeld: De thuissituatie is als volgt/ het gezin bestaat uit/hij is
Mening = wat je zelf ergens van vind door jou ervaringen, gevoelens en referentiekader.
- Ontstaan makkelijk misverstanden over de waarheid ervan.
- De mening van de cliënt, van jou en van ouders/vrienden/buren.
- Zeggen dat het een mening is en aangeven van wie die mening afkomstig is.
- Voorbeeld: moeder vindt/de school zegt/de cliënt geeft aan
Interpretatie = je oordeel als hulpverlener op basis van waarnemingen die je hebt gedaan.
- Neutraal en deskundig.
- Je visie op de situatie.
- Genuanceerd, goede en slechte punten
- Geef aan waarom je iets zo hebt geïnterpreteerd.
- Voorbeeld: mijn visie op deze situatie is/naar mijn idee/ik interpreteer
Om een vertekend beeld over je cliënt te voorkomen is het erg belangrijk dat je in je tekst
duidelijk aangeeft wanneer je feiten, meningen en interpretaties gebruikt.
Wat schrijf je in een rapportage:
1. Wat is er gebeurd/feiten
2. Hoe interpreteren de betrokkenen het?
3. Wat vinden zij hiervan/mening
4. Aan het einde: eigen interpretatie/mening als hulpverlener en evt. advies
1.6; afstand en nabijheid
Als je schrijft is het handig om te weten wie je lezer is, wat jullie relatie is en wat je wilt
bereiken (schrijfdoel). Afhankelijk hiervan kan je de toon en woordkeus bepalen.
Ook de aanhef en afsluiting van een brief toont aan of je afstand of nabijheid wilt tonen.
Afstand: hoogachtend/ met vriendelijke groet.
Nabijheid: groetjes
1.7; spreektaal en schrijftaal
2
Hogeschool Leiden