onderbouw
Hoofdstuk 10: Oriëntatie op rekenen-wiskunde in groep 3 en 4
Doelen rekenen-wiskunde in groep 3 en 4 in het kort:
In groep 3 en 4 moeten de kinderen inzicht krijgen in en veel oefenen met de getallen tot 20
en tot 100 en moeten ze oefenen met optellen en aftrekken. Daarnaast krijgen de kinderen
in groep 4 te maken met de tafels van vermenigvuldigen.
§10.1 Getallen springen
Getallen springen is een rekenspel waar je doormiddel van grote en kleine stappen een getal
kan “springen”. Een grote stap staat voor 10 en een kleine voor 1. Als je dus 3 grote stappen
maakt en daarna nog 7 kleintjes, dan heb je het getal 37 gesprongen.
Bij dit spel is het belangrijk dat de kinderen voldoende inzicht hebben in de getallenrij.
Tellen met tientallen
Bij tellen met tientallen gaat het erom dat kinderen sprongen kunnen maken van 10. Denk
aan 10, 20, 30.. maar ook aan 47, 57, 67… Dit noem je tellen met een tiensprong.
Om dit te kunnen moeten kinderen weten wat de “buren” van een getal zijn. Ook moet het
een getal op de getallenlijn kunnen positioneren (aanwijzen).
Als een kind het getal 44 wil positioneren, moet het weten dat dit getal tussen de 40 en de
50 ligt, maar meer bij 40.
Productief oefenen
Productief oefenen is een oefenvorm waarbij kinderen zelf een actieve bijdrage leveren.
Bij het spel getallen springen kun je productief oefenen door het de kinderen zelf te laten
doen. Hierbij kunnen zij zelf een getal kiezen. De kinderen die het moeilijk vinden zullen voor
een makkelijk getal kiezen, en andersom. Dit zorgt voor goede differentiatie. Zorg hierbij wel
je als leraar het verzonnen getal weet, voordat het kind het gaat springen.
1
, Hoofdstuk 11: begrippen en zelfpeiling bij deel 2
§11.1 professionele gecijferdheid
Om rekenles te kunnen geven op de basisschool moet je professioneel gecijferd zijn. Dit
betekent dat je niet alleen de opgaves moet kunnen oplossen (gecijferd), maar ook over een
aantal vaardigheden beschikt.
Het herkennen van wiskunde in je eigen omgeving. Zo kun je aansluiten op de
belevingswereld van de kinderen.
Gericht zijn op de oplossingsprocessen bij het maken van rekenopdrachten. De
leerkracht moet de oplossingen van kinderen kunnen volgen en kunnen beoordelen
of deze wiskundig correct zijn.
Inspelen op het wiskundig denken van de leerlingen en de kinderen kunnen uitdagen
om wiskundige ontdekkingen te doen.
§11.2 Belangrijke begrippen
Belangrijke begrippen behoren tot de vaktaal. Je hebt ze nodig om:
Leerprocessen te kunnen begrijpen, volgen en in te spelen.
Leerstof(-opbouw) te herkennen en kunnen aanpassen.
Vakliteratuur te lezen
Handleidingen te kunnen begrijpen en kritisch te kunnen beoordelen.
Gesprekken te kunnen voeren met collega’s, begeleiders en andere deskundigen.
11.3 De beginpeiling
In het boek staat een beginpeilig/zelfpeiling met begrippen uit het 2 e deel van dit boek. Ik
heb deze lijst toegevoegd in hoofdstuk 17. Hierin wordt deze nog een keer besproken.
Je kunt dit dus gebruiken bij het studeren.
2