Samenvatting thema 1 HOK
Thema 1 taak 1 OAC1 FS Energiesystemen
Leerdoelen:
1. De student kan de verschillende vormen van uithoudingsvermogen beschrijven en waar
deze van afhankelijk zijn
2. De student kan het proces waarbij energie vrijkomt uitleggen
3. De student kan een uitgebreide beschrijving geven van de anaerobe energiesystemen die
ons ter beschikking staan en wanneer deze aangewend worden
4. De student kan een uitgebreide beschrijving geven van het aerobe energiesysteem, de
maximale zuurstofopname en waardoor deze beïnvloed wordt
De grondmotorische eigenschappen zijn: uithoudingsvermogen (VO2max), kracht (Newton),
lenigheid (ROM), snelheid (km/h) en coördinatie/ stabiliteit. Coördinatie is hierbij nodig voor
alle grondmotorische eigenschappen.
Het uithoudingsvermogen kan worden ingedeeld in anaeroob/ aeroob en lokaal/ algemeen.
ATP is de energieleverancier voor het lichaam. Lokaal wil zeggen hier
spieruithoudingsvermogen, het algemeen uithoudingsvermogen zegt iets over je
cardiovasculaire systeem.
ADP= adenosinedifosfaat (ATP- P). Deze P die afgesplitst wordt is energierijk en zorgt voor
energie. ATPase is een enzym die vrij wordt gemaakt wanneer er energie nodig is, zodat er
een contractie van de spieren plaats kan vinden. Bij de hydrolyse maakt de ATPase de ATP
kapot. Het waterstof kan voor spiervermoeidheid/ verzuring zorgen, ipv het lactaat.
Aanvullen van ATP
Het ATP wordt constant aangevuld. De anaerobe voorziening is beperkt (kan opraken), op
een gegeven moment moet je over gaan op de aerobe voorziening. Phosphorylering zorgt
voor de aanvulling van het ATP. Het aanvullen van ATP kan aeroob (oxidatie vetzuren
(lipolyse) & oxidatie koolhydraten/ glucose) en anaeroob (anaerobische glycolyse &
creatinefosfaat/ CP).
• Anaeroob
– Alactisch (ATP & creatinefosfaat (CP))
– Lactisch (Onvolledige verbranding van glucose. Buffering van lactaat.)
• Aeroob
– Oxidatie van glucose
– Oxidatie van vetten
Vetten zijn het minst snel uitgeput (hiervan heeft het lichaam het meest opgeslagen), daarna
de koolhydraten, daarna de anaerobe voorziening. In rust komt de meeste energie uit de vet
voorraad. Vet bevat de meeste energie (9kcal), hiervan kan meer ATP gemaakt worden.
Wanneer een grotere arbeid geleverd moet worden, wordt er niet alleen gekeken naar waar
de grootste voorraad van aanwezig is maar wordt er ook gekeken naar hoeveel zuurstof is er
nodig om deze energie vrij te maken. Voor het leveren van energie uit koolhydraten is minder
,zuurstof nodig. Er wordt sneller energie vrij gemaakt uit koolhydraten. Zuurstof is hier een
beperkende factor.
Wanneer je tijdens het leveren van arbeid niet meer kunt praten, dan gaat de energielevering
over op anaerobe voorzieningen, beide systemen zijn dan actief. Er wordt bijgetankt uit de
anaerobe voorziening, deze kan op raken.
Glucose (mmol) pyrodruivenzuur (2 ATP) citroenzuurcyclus (34 ATP) OF lactaat/ H+ (2
ATP).
De citroenzuurcyclus is hier aeroob; lactaat is hierbij anaeroob). Dit ligt aan de zuurstof
toevoer.
Glucose 2 ATP pyrodruivenzuur citroenzuurcyclus 34 ATP totaal 36 ATP
Glucose 2 ATP pyrodruivenzuur lactaat/ H+ 2 ATP totaal 4 ATP
Door training kan de anaerobe voorraad die het lichaam heeft toenemen, en het vrijmaken er
van kan toenemen (kraantje in de voorziening staat verder open). ATP kun je ongeveer 2 sec
gebruiken, CP 10 sec. Krachttraining zelf is meer anaeroob. In rust heb je meer energie
nodig voor deze spiercellen waardoor er meer vetten worden afgebroken.
,Aan het begin van de arbeid heeft de ATP-CP de grootste bijdrage aan de totale
energielevering (<10 sec). Daarna het anaerobe glycolyse/ melkzuursysteem, deze levert
minder energie naarmate de arbeid langer aangehouden wordt (10-60 sec). Als laatste komt
de aerobe verbranding van koolhydraten en vetten op gang en levert vanaf ongeveer 1
minuut het hoogste percentage bij aan de totale energielevering. Het aerobe systeem heeft
even nodig om op gang te komen. Deze tekorten in het begin worden opgevangen door de
andere energie systemen. Dit is ook de reden voor het warmlopen aan het begin van een
wedstrijd.
- O2 systeem blauw
- lactaat systeem groen
- CRP systeem paars
- Totale prestatie roze
- ATP voorraad begin geel
, VO2max (ml/kg/min)
De VO2max zegt iets over het uithoudingsvermogen. De VO2max of het maximale
zuurstofopnamevermogen is het maximale volume (V) zuurstofgas (O2) dat het menselijk
lichaam per tijdseenheid kan transporteren en metaboliseren bij lichamelijke inspanning. De
zuurstofopname is het makkelijkste te meten met een inspanningstest. Je meet hiermee de
maximale hartslag en de maximale zuurstofopname. Duursporters hebben de grootste
VO2max, zoals langlaufers (hoogtetraining/ epo) en marathon lopers.
Je moet voor de toets weten wat (ongeveer) een hoge en een lage VO2max is.
• Bij een man van <30 jaar is een VO2max van ongeveer <35 slecht en >50 goed.
• Bij een man van >60 jaar is een VO2max van ongeveer <25 slecht en >35 goed.
• Bij een vrouw van <30 jaar is een VO2max van ongeveer <30 slecht en >40 goed.
• Bij een vrouw van >60 jaar is een VO2max van ongeveer <18 slecht en >25 goed.
Lokaal uithoudingsvermogen
- vascularisatie
- myoglobine
- mitochondria
Algemeen uithoudingsvermogen
• Cardiovasculair systeem
• Spiervezeltype (verhouding is vaak aangeboren)
– Type I: aeroob
• Vascularisatie
• Myoglobine
• Mitochondria
– Type II: anaeroob
• Hoeveelheid ATP / CP
Sprinters hebben met name type 2 vezels, marathon lopers hebben met name type 1 vezels.
De kleur van het weefsel zegt iets over de doorbloeding ervan.
Verwerkingsvragen naar aanleiding van de les
1. Waar is het (an)aerobe uithoudingsvermogen van afhankelijk?
Anaeroob:
i. Alactisch: hoeveelheid ATP en CP
ii. Lactisch: buffervermogen van het bloed
Aeroob: VO2max, hoeveelheid glycogeen
2. Waardoor wordt het lokale (spier)uithoudingsvermogen bepaald?
Vascularisatie, hoeveelheid myoglobine en mitochondriën
3. Beschrijf hoe uit ATP energie kan worden gehaald.
Bij afsplitsing van een fosfaatgroep van het ATP ontstaat direct bruikbare
chemische energie. ATP ADP + P + energie.
4. Geef een beschrijving van elk van de drie wegen waarlangs resynthese van ATP kan
optreden.
Creatinefosfaat: PCr wordt gebonden aan ADP die vrijkomt bij de afbraak van
voorraad ATP in de spiercel (PCr + ADP Cr + ATP)
Melkzuursysteem: Pyrodruivenzuur, dat ontstaat na glycolyse, wordt bij een tekort
aan O2 omgezet in lactaat/melkzuur, dit levert 2 ATP op.
Thema 1 taak 1 OAC1 FS Energiesystemen
Leerdoelen:
1. De student kan de verschillende vormen van uithoudingsvermogen beschrijven en waar
deze van afhankelijk zijn
2. De student kan het proces waarbij energie vrijkomt uitleggen
3. De student kan een uitgebreide beschrijving geven van de anaerobe energiesystemen die
ons ter beschikking staan en wanneer deze aangewend worden
4. De student kan een uitgebreide beschrijving geven van het aerobe energiesysteem, de
maximale zuurstofopname en waardoor deze beïnvloed wordt
De grondmotorische eigenschappen zijn: uithoudingsvermogen (VO2max), kracht (Newton),
lenigheid (ROM), snelheid (km/h) en coördinatie/ stabiliteit. Coördinatie is hierbij nodig voor
alle grondmotorische eigenschappen.
Het uithoudingsvermogen kan worden ingedeeld in anaeroob/ aeroob en lokaal/ algemeen.
ATP is de energieleverancier voor het lichaam. Lokaal wil zeggen hier
spieruithoudingsvermogen, het algemeen uithoudingsvermogen zegt iets over je
cardiovasculaire systeem.
ADP= adenosinedifosfaat (ATP- P). Deze P die afgesplitst wordt is energierijk en zorgt voor
energie. ATPase is een enzym die vrij wordt gemaakt wanneer er energie nodig is, zodat er
een contractie van de spieren plaats kan vinden. Bij de hydrolyse maakt de ATPase de ATP
kapot. Het waterstof kan voor spiervermoeidheid/ verzuring zorgen, ipv het lactaat.
Aanvullen van ATP
Het ATP wordt constant aangevuld. De anaerobe voorziening is beperkt (kan opraken), op
een gegeven moment moet je over gaan op de aerobe voorziening. Phosphorylering zorgt
voor de aanvulling van het ATP. Het aanvullen van ATP kan aeroob (oxidatie vetzuren
(lipolyse) & oxidatie koolhydraten/ glucose) en anaeroob (anaerobische glycolyse &
creatinefosfaat/ CP).
• Anaeroob
– Alactisch (ATP & creatinefosfaat (CP))
– Lactisch (Onvolledige verbranding van glucose. Buffering van lactaat.)
• Aeroob
– Oxidatie van glucose
– Oxidatie van vetten
Vetten zijn het minst snel uitgeput (hiervan heeft het lichaam het meest opgeslagen), daarna
de koolhydraten, daarna de anaerobe voorziening. In rust komt de meeste energie uit de vet
voorraad. Vet bevat de meeste energie (9kcal), hiervan kan meer ATP gemaakt worden.
Wanneer een grotere arbeid geleverd moet worden, wordt er niet alleen gekeken naar waar
de grootste voorraad van aanwezig is maar wordt er ook gekeken naar hoeveel zuurstof is er
nodig om deze energie vrij te maken. Voor het leveren van energie uit koolhydraten is minder
,zuurstof nodig. Er wordt sneller energie vrij gemaakt uit koolhydraten. Zuurstof is hier een
beperkende factor.
Wanneer je tijdens het leveren van arbeid niet meer kunt praten, dan gaat de energielevering
over op anaerobe voorzieningen, beide systemen zijn dan actief. Er wordt bijgetankt uit de
anaerobe voorziening, deze kan op raken.
Glucose (mmol) pyrodruivenzuur (2 ATP) citroenzuurcyclus (34 ATP) OF lactaat/ H+ (2
ATP).
De citroenzuurcyclus is hier aeroob; lactaat is hierbij anaeroob). Dit ligt aan de zuurstof
toevoer.
Glucose 2 ATP pyrodruivenzuur citroenzuurcyclus 34 ATP totaal 36 ATP
Glucose 2 ATP pyrodruivenzuur lactaat/ H+ 2 ATP totaal 4 ATP
Door training kan de anaerobe voorraad die het lichaam heeft toenemen, en het vrijmaken er
van kan toenemen (kraantje in de voorziening staat verder open). ATP kun je ongeveer 2 sec
gebruiken, CP 10 sec. Krachttraining zelf is meer anaeroob. In rust heb je meer energie
nodig voor deze spiercellen waardoor er meer vetten worden afgebroken.
,Aan het begin van de arbeid heeft de ATP-CP de grootste bijdrage aan de totale
energielevering (<10 sec). Daarna het anaerobe glycolyse/ melkzuursysteem, deze levert
minder energie naarmate de arbeid langer aangehouden wordt (10-60 sec). Als laatste komt
de aerobe verbranding van koolhydraten en vetten op gang en levert vanaf ongeveer 1
minuut het hoogste percentage bij aan de totale energielevering. Het aerobe systeem heeft
even nodig om op gang te komen. Deze tekorten in het begin worden opgevangen door de
andere energie systemen. Dit is ook de reden voor het warmlopen aan het begin van een
wedstrijd.
- O2 systeem blauw
- lactaat systeem groen
- CRP systeem paars
- Totale prestatie roze
- ATP voorraad begin geel
, VO2max (ml/kg/min)
De VO2max zegt iets over het uithoudingsvermogen. De VO2max of het maximale
zuurstofopnamevermogen is het maximale volume (V) zuurstofgas (O2) dat het menselijk
lichaam per tijdseenheid kan transporteren en metaboliseren bij lichamelijke inspanning. De
zuurstofopname is het makkelijkste te meten met een inspanningstest. Je meet hiermee de
maximale hartslag en de maximale zuurstofopname. Duursporters hebben de grootste
VO2max, zoals langlaufers (hoogtetraining/ epo) en marathon lopers.
Je moet voor de toets weten wat (ongeveer) een hoge en een lage VO2max is.
• Bij een man van <30 jaar is een VO2max van ongeveer <35 slecht en >50 goed.
• Bij een man van >60 jaar is een VO2max van ongeveer <25 slecht en >35 goed.
• Bij een vrouw van <30 jaar is een VO2max van ongeveer <30 slecht en >40 goed.
• Bij een vrouw van >60 jaar is een VO2max van ongeveer <18 slecht en >25 goed.
Lokaal uithoudingsvermogen
- vascularisatie
- myoglobine
- mitochondria
Algemeen uithoudingsvermogen
• Cardiovasculair systeem
• Spiervezeltype (verhouding is vaak aangeboren)
– Type I: aeroob
• Vascularisatie
• Myoglobine
• Mitochondria
– Type II: anaeroob
• Hoeveelheid ATP / CP
Sprinters hebben met name type 2 vezels, marathon lopers hebben met name type 1 vezels.
De kleur van het weefsel zegt iets over de doorbloeding ervan.
Verwerkingsvragen naar aanleiding van de les
1. Waar is het (an)aerobe uithoudingsvermogen van afhankelijk?
Anaeroob:
i. Alactisch: hoeveelheid ATP en CP
ii. Lactisch: buffervermogen van het bloed
Aeroob: VO2max, hoeveelheid glycogeen
2. Waardoor wordt het lokale (spier)uithoudingsvermogen bepaald?
Vascularisatie, hoeveelheid myoglobine en mitochondriën
3. Beschrijf hoe uit ATP energie kan worden gehaald.
Bij afsplitsing van een fosfaatgroep van het ATP ontstaat direct bruikbare
chemische energie. ATP ADP + P + energie.
4. Geef een beschrijving van elk van de drie wegen waarlangs resynthese van ATP kan
optreden.
Creatinefosfaat: PCr wordt gebonden aan ADP die vrijkomt bij de afbraak van
voorraad ATP in de spiercel (PCr + ADP Cr + ATP)
Melkzuursysteem: Pyrodruivenzuur, dat ontstaat na glycolyse, wordt bij een tekort
aan O2 omgezet in lactaat/melkzuur, dit levert 2 ATP op.