goederenrechtelijke perspectief
‘In hoeverre biedt de verbintenisrechtelijke rechtsfiguur van de kwalitatieve verplichting
krachtens art. 6:252 BW de mogelijkheid om het natrekkingsleerstuk op onroerende zaken te
doorbreken in tegenstelling tot de goederenrechtelijke rechtsfiguren van het recht van opstal
krachtens art. 5:101 BW en recht van erfpacht krachtens art. 5:85 BW?’
Naam: [zelf invullen]
Studentnummer: [zelf invullen]
Periode: [zelf invullen]
Scriptiebegeleider: [zelf invullen]
Opleiding: [zelf invullen]
Onderwijsinstelling: Tilburg University
[dd/mm/jjjj]
, Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1 Inleiding........................................................................................................................... 3
§ 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................... 3
§ 1.1 Probleembeschrijving ............................................................................................................ 3
§ 1.2 Onderzoeksvraag en de deelvragen ................................................................................... 5
§ 1.3 Operationalisering/conceptualisering onderzoeksvraag ................................................... 5
§ 1.4 Wetenschappelijk en maatschappelijke relevantie ............................................................ 6
§ 1.4.1 Wetenschappelijke relevantie ....................................................................................... 6
§ 1.4.2 Maatschappelijke relevantie .......................................................................................... 6
§ 1.5 Methode van onderzoek ....................................................................................................... 6
§ 1.6 Literatuur- en bronnenlijst ..................................................................................................... 8
§ 1.6.1 Literatuur.......................................................................................................................... 8
§ 1.6.2 Elektronisch geraadpleegde bronnen ........................................................................ 11
2