Ontwikkelingspsychologie = de wetenschappelijke studie naar
patronen van groei, verandering en stabiliteit vanaf de conceptie tot aan
de ouderdom.
Onderzoek in de ontwikkeling van kinderen is te verdelen in vier centrale
thema’s:
Fysieke ontwikkeling
Invloed van de hersenen, het zenuwstelsel, de spieren, de
zintuigen en de behoefte aan eten, drinken en slaap op ons
gedrag.
Cognitieve ontwikkeling
Hersenen; leren, geheugen, probleemoplossing, intelligentie.
Sociale ontwikkeling
Ontwikkeling en verandering van sociale relaties en interacties
met anderen.
Persoonlijkheidsontwikkeling
Stabiliteit en verandering in de eigenschappen die de ene
persoon van de andere onderscheiden.
Leeftijdsgroepen kinderen en jongeren
Prenatale periode (conceptie tot geboorte)
Baby- en peutertijd (geboorte tot 3 jaar)
Kleutertijd (3 – 6 jaar)
Schooltijd (6 – 12 jaar)
Adolescentie (12 – 20 jaar)
Cohort
= groep mensen die rond dezelfde tijd op dezelfde plek zijn geboren.
groep over een grotere breedte waar je dan bij hoort.
Mensen die tot een bepaalde cohort behoren, maken samen bepaalde
gebeurtenissen mee, hierin wordt onderscheidt gemaakt tussen:
Normatieve gebeurtenissen: gebeurtenissen die zich voor de
meeste individuen op dezelfde manier voltrekken.
o Normatief historische gebeurtenis:
- Een gebeurtenis uit de geschiedenis die iedereen (ongeacht
leeftijd) meemaakt. Voorbeelden: rookverbod, 9/11, Tweede
Wereldoorlog, vuurwerkramp.
o Normatieve leeftijdsgebonden gebeurtenis
- Zijn gelijk voor mensen in een bepaalde leeftijdsgroep,
ongeacht waar of wanneer ze opgroeien. Voorbeelden:
puberteit, basisschool, VO
Normatieve invloeden: invloeden die leiden tot conformiteit,
omdat mensen de gevolgen van afwijkend gedrag vrezen.
Voorbeelden: cultuur, ethische afkomst, sociale klasse, wijk,
subcultuur
, Niet-normatieve gebeurtenissen: vinden plaats in het leven één
specifiek persoon. Voorbeelden: scheiding, prijzen winnen, uniek zijn
in iets, ziekten, overlijden.
, Continue en discontinue verandering
Continue = de ontwikkeling verloopt geleidelijk en de prestaties vloeien
op een bepaald niveau voort uit de prestaties op de vorige niveaus.
Voorbeeld: groeien.
Nieuwe vaardigheden vloeien automatisch voort uit bestaande
vaardigheden.
Kwantitatief: de ontwikkeling wordt groter of meer.
Discontinue = vindt plaats in aparte stappen of stadia. Elk stadium levert
gedrag op dat kwalitatief anders is dan gedrag in eerdere stadia
(kleutertijd, kindertijd, adolescentie). Voorbeeld: zindelijkheid, fietsen met
zijwieltjes
Nieuwe mogelijkheden, abrupte verandering.
Kritieke en gevoelige perioden
Kritieke periode = specifieke tijd in de ontwikkeling waarin een bepaalde
gebeurtenis grote gevolgen heeft. Voorbeeld: baby die geen liefde en
aandacht krijgt, => hechtingsproblemen.
Aanwezigheid van bepaalde soorten omgevingsstimuli noodzakelijk
is voor normale ontwikkeling of
Blootstelling aan bepaalde stimuli abnormale ontwikkeling tot gevolg
heeft.
Plasticiteit = de mate waarin ontwikkelingsgedrag veranderlijk is.
Gevoelige periode = een bepaalde periode waarin bepaalde vermogens
optimaal naar voren komen. Met name kinderen zijn bijzonder gevoelig
voor invloeden uit de omgeving.
Verschil met kritieke periode:
Bij de kritieke perioden wordt er aangenomen dat er permanente en
onomkeerbare gevolgen zijn wanneer een individu in ontwikkeling
bepaalde invloeden mist. Dit in tegenstelling tot de gevoelige perioden. Bij
het ontbreken hoeven de consequenties niet altijd permanent te zijn.
Nature en nurture
Nature = eigenschappen, vermogens en capaciteiten die mensen van hun
ouders erven.
Voorbestemde genetische informatie
Voorbeelden: kleur ogen, kaal worden, hoe snel we ons motorisch
ontwikkelen.
Nurture = de omgevingsinvloeden die ons gedrag bepalen.
Voorbeelden:
- Biologisch: invloed van drank- en drugsgebruik, soort voedsel.
- Sociaal: manier waarop ouders hun kinderen opvoeden.
- Maatschappelijke factoren: economische omstandigheden.