Werkwoordspelling
Werkwoordspelling is vaak een struikelblok omdat het gebruik van tijden en uitgangen
verwarrend kan zijn. Hier zijn de belangrijkste regels:
1. Tegenwoordige tijd (heden)
Ik-vorm: Dit is de stam van het werkwoord, zonder extra letters. Je vindt de stam door
van het hele werkwoord de uitgang -en af te halen.
§ Voorbeeld: werken → werk (ik werk).
Hij/zij-vorm: Voeg een -t toe aan de stam, behalve als het onderwerp "ik" is. Dit geldt
alleen in de tegenwoordige tijd.
§ Voorbeeld: werken → hij werkt.
Uitzondering: Als het onderwerp achter de persoonsvorm staat, valt de -t weg.
§ Voorbeeld: Loopt hij? (en niet Loopt hijt?).
Meervoud: Gebruik in de meervoudsvorm altijd het hele werkwoord.
§ Voorbeeld: wij werken, zij werken.
2. Verleden tijd
In de verleden tijd gebruik je zwakke en sterke werkwoorden. Zwakke
werkwoorden volgen de 't kofschip-regel.
Ø Als de stam van een werkwoord eindigt op een medeklinker uit de medeklinkers
van 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), gebruik je in de verleden tijd -te(n). Eindigt de
stam niet op een van deze medeklinkers, dan gebruik je -de(n).
§ Voorbeelden:
werken → stam is werk, eindigt op k → verleden tijd: werkte.
reizen → stam is reis, eindigt niet op een letter uit 't kofschip → verleden tijd: reisde.
§ Sterke werkwoorden veranderen van klank in de verleden tijd en krijgen geen -
te(n) of -de(n).
§ Voorbeelden:
lopen → liep.
vinden → vond.
3. Voltooid deelwoord
In het voltooid deelwoord gebruik je dezelfde 't kofschip-regel om te bepalen of het
voltooid deelwoord eindigt op -d of -t. Werkwoorden waarvan de stam eindigt op een
medeklinker uit 't kofschip krijgen -t.
§ Voorbeeld: werken → gewerkt.
Werkwoorden waarvan de stam niet op een medeklinker uit 't kofschip eindigt, krijgen -
d.
§ Voorbeeld: reizen → gereisd.
Persoonsvorm: De persoonsvorm is het werkwoord dat verandert als je de zin in een
andere tijd zet of van enkelvoud naar meervoud verandert.
§ Voorbeeld: Ik werk vandaag (heden) wordt Ik werkte gisteren (verleden tijd).