Aantekeningen Thema 3 Energiebalans
Voedingsnormen 2001
Mensen halen energie uit koolhydraten, vetten, eiwitten en alcohol. 50% van de
binnenkomende energie wordt opgeslagen als ATP. De rest komt als warmte vrij. Energie is
nodig voor alle levensprocessen, voor het in stand houden van de lichaamsweefsels en voor
het uitvoeren van lichamelijke activiteiten.
Er zijn een aantal factoren die de energiebehoefte beïnvloeden:
- Vetgehalte van de voeding: bij een positieve energiebalans zorgt voeding met een
hoog vetgehalte voor een grotere gewichtstoename dan voeding met een laag
vetgehalte. Een verlaging van het vetgehalte van de voeding verlaagt de kans op een
overmatige inname van energie.
- Eiwitgehalte van de voeding: eiwitten zijn geen effectieve leveranciers van energie.
Het zorgt voor een energieverbruik van 25%. Vervangen van koolhydraten door
eiwitten zorgt dus voor gewichtsverlies.
- Alcohol: alcohol is geen effectieve leverancier van energie. Het zorgt voor een
energieverbruik van 15%.
- Lichaamsgewicht en -samenstelling: het energieverbruik is afhankelijk van het
lichaamsgewicht. Organen hebben een hoger energieverbruik dan vetweefsel.
Mensen met veel lichaamsvet hebben minder energie nodig dan mensen met
hetzelfde lichaamsgewicht maar minder lichaamsvet.
- Genetische factoren en maaltijdfrequentie: weinig over bekend.
- Lichamelijke activiteit.
Energiegebruik bestaat uit drie componenten:
1. BMR: basaalstofwisseling, de stofwisseling voor levensfuncties.
2. TEF/DIT: de energie die je gebruikt voor het verteren en verwerken van voedsel.
3. Fysieke activiteit
De PAL-waarde beschrijft het niveau van fysieke activiteit.
PAL: de verhouding tussen het totale energiegebruik (TEE) en basaalstofwisseling (BMR) over
24 uur of langer.
TEE
PAL=
BMR
TEE=PAL x BMR
Het is een factor dat wordt vermenigvuldigd met de basaalstofwisseling om het 24-uurs
energieverbruik te berekenen. Iemand met een Pal van 1,7 heeft een stofwisseling die 1,7x
zo hoog is als het BMR.
Leefstijl PAL-waarde
Voedingsnormen 2001
Mensen halen energie uit koolhydraten, vetten, eiwitten en alcohol. 50% van de
binnenkomende energie wordt opgeslagen als ATP. De rest komt als warmte vrij. Energie is
nodig voor alle levensprocessen, voor het in stand houden van de lichaamsweefsels en voor
het uitvoeren van lichamelijke activiteiten.
Er zijn een aantal factoren die de energiebehoefte beïnvloeden:
- Vetgehalte van de voeding: bij een positieve energiebalans zorgt voeding met een
hoog vetgehalte voor een grotere gewichtstoename dan voeding met een laag
vetgehalte. Een verlaging van het vetgehalte van de voeding verlaagt de kans op een
overmatige inname van energie.
- Eiwitgehalte van de voeding: eiwitten zijn geen effectieve leveranciers van energie.
Het zorgt voor een energieverbruik van 25%. Vervangen van koolhydraten door
eiwitten zorgt dus voor gewichtsverlies.
- Alcohol: alcohol is geen effectieve leverancier van energie. Het zorgt voor een
energieverbruik van 15%.
- Lichaamsgewicht en -samenstelling: het energieverbruik is afhankelijk van het
lichaamsgewicht. Organen hebben een hoger energieverbruik dan vetweefsel.
Mensen met veel lichaamsvet hebben minder energie nodig dan mensen met
hetzelfde lichaamsgewicht maar minder lichaamsvet.
- Genetische factoren en maaltijdfrequentie: weinig over bekend.
- Lichamelijke activiteit.
Energiegebruik bestaat uit drie componenten:
1. BMR: basaalstofwisseling, de stofwisseling voor levensfuncties.
2. TEF/DIT: de energie die je gebruikt voor het verteren en verwerken van voedsel.
3. Fysieke activiteit
De PAL-waarde beschrijft het niveau van fysieke activiteit.
PAL: de verhouding tussen het totale energiegebruik (TEE) en basaalstofwisseling (BMR) over
24 uur of langer.
TEE
PAL=
BMR
TEE=PAL x BMR
Het is een factor dat wordt vermenigvuldigd met de basaalstofwisseling om het 24-uurs
energieverbruik te berekenen. Iemand met een Pal van 1,7 heeft een stofwisseling die 1,7x
zo hoog is als het BMR.
Leefstijl PAL-waarde