Literaire ontwikkelen
3.1 Schrijver en publiek
Schrijvers afkomstig van de stedelijke elite.
Maatschappelijke groepen verschillende politieke en economische belangen.
Gezocht naar maatschappelijke orde en politieke rust.
Constantijn Huygens.
Schrijvers zijn volksopvoeders en opinievormers.
Schrijvers verdedigden christelijke en humanistische levensidealen, benadrukten
universele waarheden.
3.2 Nederlandse Renaissance literatuur
Renaissance literatuur: geleerde, speelse teksten met literaire voorbeelden, tradities,
conventies.
P.C. Hooft: raadselachtige, dubbelzinnige, mythologische verwijzingen en woordspel.
Petrarkisme: liefde had bepaalde vaste elementen Petrarca.
- Liefde moest onvervuld blijven.
- Lyrische ik bewonderde en beminde zijn liefde, maar bleef onbeantwoord.
- Liefde ging over een stereotype.
- Een ongenaakbare schoonheid.
- Veel paradoxen.
3.3 Emblematiek
Kwam op in de 16e eeuw.
Vorm van een driedeling:
- Motto opschrift
- Pictura afbeelding
- Subscriptio bijschrift of uitleg
Uitdaging voor publiek om verband motto en picture te begrijpen voor lezen van
subsriptio.
Alledaagse onderwerpen, maar ook mythologische of geschiedenis onderwerpen.
Roemer Visscher: belangrijke schrijver voor de emblematiek.
3.4 Didactische verhalen
Spannende en ontroerende verhalen met morele lessen en algemene waarheden.
Vaak rijm.
Jacob Cats.
Raamvertelling: verhalen afgewisseld met dialogen.
Bedoeld voor het burgerlijke publiek.
3.5 Liederen en liedboeken
Zangcultuur: veel teksten bedoeld om gezongen te worden.
Liedboeken: verzameling van liederen.
Vaak anonieme auteurs.
De jeugd kreeg les over omgang met andere geslacht door petrarkistische liefdes
liedboeken.
G.A. Bredero.
Contrafactuur: nieuwe teksten op bestaande melodieën.
3.6 Sonnet
Sonnet is de dichtvorm van de renaissance.
Een van de grondleggers: Petrarca.
Belangrijke sonnetschrijvers van de Republiek: P.C, Hooft.
Opbouw 4-4-3-3.
, 3.7 Ernstig en komisch toneel
Twee rederijkerskamers begin 17e eeuw: De Eglentier en Het Wit Lavendel.
Samuel Coster: richtte Nederduytsche Academie op alternatief voor andere
rederijkersscholen.
Amsterdamse schouwburg: vanaf dat moment alle belangrijke stukken in
schouwburg.
Openingsstuk: Gysbreght van Aemstel Joost van den Vondel.
Moderne toneel: was een spiegel voor gewenst en ongewenst gedrag van publiek.
Stedelijke functie: deel van opbrengst naar liefdadigheidsinstellingen.
Opiniërende functie: meningen van schrijvers werden via toneel verspreid.
Treurspel: ernstig toneel, ondergang van hooggeplaatste personen geschreven.
Onderwerpen: mythologie, de oudheid, geschiedenis of de bijbel.
- Retorische didactische tragedie: morele les wordt vooral talig overgebracht.
- Aristotelische tragedie: hoofdpersoon staat voor dilemma, maakt de verkeerde
keuze. Peripetie inzicht na beslissende wending, morele les.
Komedie en klucht: komisch toneel opvoedende functie, alledaagse onderwerpen
met ondeugden stonden centraal gelijk aan schilderijen Jan Steen.
- Renaissance komedie: greep terug naar Romeinse komedie door lachen de
waarheid brengen, ter lering en vermaak.
- Immitatioprincipe: beroemde voorbeelden in eigen bewerking presenteren.
- Kluchten: figuren waren stereotypes, onbeschaafd en ongewenst gedrag G.A.
Bredero.
Monologen en dialogen: deel gezonden, deel gesproken tekst.
Muziek en zang: belangrijk deel van een voorstelling.
Cursus 10
Literaire ontwikkelen