1. De student kan afwijkend gedrag herkennen en definiëren.
2. De student kan de belangrijkste kenmerken van het DSM-classificatie systeem
beschrijven.
3. De student kan de sterke en zwakke punten van het DSM-classificatie systeem
benoemen.
4. De student kan benoemen waarom deze kennis belangrijk is voor de sociaal werker.
Bronnen
Nevid, J.S., Rathus, S.A. & Greene, B. (2021).
Psychiatrie een inleiding (10e editie)
.
Pearson.
Hoofdstuk 1.1. & 1.2, p. 4-10
-
Nevid, J.S., Rathus, S.A. & Greene, B. (2021).
Psychiatrie een inleiding (10e editie)
. Pearson.
Hoofdstuk 3.1 t/m 3.3, p. 81-92
1. De student kan afwijkend gedrag herkennen en definiëren
In hoofdstuk 1.1 wordt afwijkend gedrag uitgelegd als gedrag dat anders is dan wat de
meeste mensen normaal vinden. Dit kan te maken hebben met gedachten, gevoelens
of acties die niet passen bij wat normaal is in een bepaalde groep of cultuur.
Het boek noemt vier belangrijke punten voor afwijkend gedrag:
- Uitzonderlijk gedrag: Gedrag dat erg anders is dan wat gemiddeld of normaal is.
Bijvoorbeeld, iemand die extreem bang is in normale situaties.
- Overtreden van regels: Gedrag dat tegen de regels van een samenleving ingaat. Wat
afwijkend is, verschilt per cultuur.
- Persoonlijk lijden: Gedrag dat ervoor zorgt dat iemand zich slecht of gestrest voelt.
- Niet goed functioneren: Gedrag dat het moeilijk maakt om normaal te leven, bijvoorbeeld
op werk of in relaties.
In hoofdstuk 1.2 wordt gezegd dat je afwijkend gedrag moet bekijken in de context van de
cultuur en samenleving waarin iemand leeft, omdat normen verschillen tussen groepen.
Gedrag dat normaal is in de ene cultuur kan afwijkend zijn in een andere.
2. De student kan de belangrijkste kenmerken van het DSM-classificatiesysteem
beschrijven
In hoofdstuk 3.1 tot en met 3.3 wordt het DSM-systeem uitgelegd. Dit systeem wordt
gebruikt om psychische stoornissen te diagnosticeren. Belangrijke kenmerken van het DSM-
systeem zijn:
,- Gestandaardiseerd: Het DSM geeft vaste regels om psychische stoornissen te herkennen
en benoemen. Dit zorgt ervoor dat hulpverleners overal ter wereld dezelfde diagnose
kunnen stellen.
- Categorisch: Het DSM zegt of iemand wel of niet een stoornis heeft, op basis van de
symptomen. Dit systeem is helder, maar soms kan het te zwart-wit zijn.
- Beschrijvend: Het DSM beschrijft alleen de symptomen van stoornissen en geeft geen
verklaringen voor de oorzaken.
- Veranderlijk: Het DSM wordt regelmatig aangepast op basis van nieuw onderzoek, zoals
in de nieuwste versie, DSM-5.
3. De student kan de sterke en zwakke punten van het DSM-classificatiesysteem
benoemen
In hoofdstuk 3.2 bespreekt het boek de voordelen en nadelen van het DSM-systeem.
Sterke punten:
- Betrouwbaarheid: Omdat het DSM vaste regels heeft, kunnen verschillende hulpverleners
dezelfde diagnose stellen bij dezelfde symptomen.
- Handig in de praktijk: Het DSM helpt professionals bij het kiezen van de juiste behandeling
voor een stoornis.
- Wetenschappelijke basis: Het DSM is gebaseerd op veel onderzoek en wordt steeds
verbeterd.
Zwakke punten:
- Te veel focus op labels: Het DSM legt de nadruk op het geven van een diagnose, waardoor
soms normaal gedrag als afwijkend wordt gezien.
- Culturele verschillen: Veel van de regels in het DSM zijn gemaakt op basis van westers
onderzoek. Dit kan leiden tot fouten bij mensen uit andere culturen.
- Geen oorzaken: Het DSM kijkt alleen naar symptomen en niet naar waarom iemand een
stoornis heeft, wat soms de behandeling beperkt.
4. De student kan benoemen waarom deze kennis belangrijk is voor de sociaal werker
Het boek legt uit dat kennis van afwijkend gedrag en het DSM-systeem belangrijk is
voor sociaal werkers omdat:
- Vroegtijdig signaleren: Sociaal werkers kunnen afwijkend gedrag vroeg herkennen en de
cliënt naar de juiste hulp verwijzen.
- Betere communicatie: Het DSM geeft sociaal werkers de mogelijkheid om goed te praten
met andere hulpverleners zoals psychiaters en psychologen.
- Passende zorg: Met DSM-kennis kunnen sociaal werkers betere ondersteuning geven,
afgestemd op wat de cliënt nodig heeft.
- Beter begrip: Door het DSM kunnen sociaal werkers beter begrijpen waarom iemand zich
op een bepaalde manier gedraagt, wat helpt bij het kiezen van de juiste hulp en interventies.
, Week 2 - Stoornissen die ontstaan in de kindertijd en de adolescentie
1. De student kan risicofactoren benoemen die samenhangen met stoornissen die ontstaan
in de
kindertijd en de adolescentie.
2. De student kan de kenmerken van stoornissen die ontstaan in de kindertijd en de
adolescentie
benoemen.
3. De student kan benoemen welke behandel- en begeleidingsmogelijkheden er zijn t.a.v.
stoornissen die ontstaan in de kindertijd en de adolescentie.
bronnen
Nevid, J.S., Rathus, S.A. & Greene, B. (2021).
Psychiatrie een inleiding (10e editie)
. Pearson.
Hoofdstuk 13.1, 13.2, 13.6.1 en 13.6.2
-
Wilken, J.P., & den Hollander, D., (2022), Handboek Steunend Relationeel Handelen; werken
aan herstel en kwaliteit vanleven (2e editie). Swp, Uitgeverij B.V. Hoofdstuk 22
Hier is een aangepaste samenvatting voor de leerdoelen over stoornissen in de kindertijd en
adolescentie, gebaseerd op de genoemde hoofdstukken van de boeken:
1. De student kan risicofactoren benoemen die samenhangen met stoornissen die
ontstaan in de kindertijd en de adolescentie
In hoofdstuk 13.1 en 13.2 van *Psychiatrie: een inleiding* worden verschillende
risicofactoren besproken die bijdragen aan het ontwikkelen van stoornissen in de kindertijd
en adolescentie:
- **Genetische factoren**: Sommige stoornissen, zoals autisme en ADHD, komen vaker
voor in families, wat suggereert dat genetica een belangrijke rol speelt.
- **Prenatale invloeden**: Blootstelling aan schadelijke stoffen tijdens de zwangerschap,
zoals alcohol of drugs, kan de hersenontwikkeling van het kind beïnvloeden en het risico op
stoornissen verhogen.
- **Omgevingsfactoren**: Een stressvolle thuisomgeving, verwaarlozing, mishandeling, of
instabiele gezinssituaties kunnen ook bijdragen aan het ontwikkelen van stoornissen.
- **Sociale factoren**: Problemen zoals armoede, pesten of sociale isolatie verhogen het
risico op emotionele of gedragsstoornissen bij kinderen en adolescenten.