21.1 Geen indringers
Lichaam heeft 3 barrières:
1) Mechanische barrière
Dekweefsels vormen een fysieke barrière tegen ziekteverwekkers en
Mechanische barrière gevaarlijke stoffen. De weefsels bestaan uit een laag nauw
aaneengesloten cellen, waar grote moleculen en ziekteverwekkers
niet doorheen kunnen.
Bijvoorbeeld:
De huid
1. Opperhuid (epidermis)
Hoornlaag: dode keratinocyten bescherming tegen
virussen en bacteriën
Basaalcellenlaag: Celdeling/ melanocyten (huidcellen
die melanine produceren)
2. Lederhuid
Elastische vezels die de huid soepel maken (bevatten
veel zintuigen)
Bescherming voor UV-straling wordt gedaan door
melanine, een biologisch pigment.
Planten
Mechanische afweer Afweer aan de buitenkant
van de plant stekels en
doornen
2) Biochemische barrière
Organen zijn aan de binnenzijde bedekt met een
speciale cellaag: het slijmvlies
In dekweefsel scheiden slijmbekercellen slijm af dat bacteriedodende stoffen bevat.
Dekweefsel van luchtwegen hebben trilharen die het vervuilde slijm richting de keelholte
brengen, waarna je het weer inslikt
De meeste bacteriën overleven deze biochemische barrière
Bijvoorbeeld:
Afweer door bepaalde stoffen (bitter, bijtend,
Chemische afweer brandend of giftig)
1
, 3) Systemische barrière
Immuunsysteem (witte bloedcellen bij mensen)
Planten herkennen schadelijke schimmels en bacteriën via receptoren op de celmembranen
I. Het sluiten van huidmondjes verhinderen dat er meer bacteriën binnenkomen
II. Het maken van H 2 O 2 celwand wordt dikken en biedt meer bescherming
III. Het maken van stoffen die schimmelsporen doden die op het waslaagje terecht
komen
IV. Het vrijkomen van NO (wanneer een cel beschadigd is) NO is dodelijk voor
ziekteverwekkers, maar ook voor plantencel aangetaste bladeren sterven (plant
overleeft)
Signaalstoffen Waarschuwingssignaal in de vorm van bijvoorbeeld
geurstoffen bereiken via lucht andere planten
Lokstoffen Hiermee zet de plant de vijanden van zijn vijand in
om zichzelf te beschermen.
21.2 Niet-specifieke afweer
Organismen die in elke cel DNA binnen een
Eukaryoten kernmembraan hebben. Ze hebben een celkern.
(Schimmels, planten en dieren).
Prokaryoten Organismen die geen celkern hebben, het DNA ligt
los in de cel. (Bacteriën).
Virussen
Een virusdeeltje bestaat uit erfelijk materiaal (DNA
Virus en RNA) met een eiwitkapsel eromheen. Een virus
kan zich alleen voortplanten met een gastheer
virus maak je kapot (gaat niet dood).
DNA-virus RNA-virus
1) De eiwitten van virus hechten aan 1) De eiwitten van virus hechten aan
celmembraan van de gastheercel celmembraan van de gastheercel
2) Via endocytose komt die in de cel 2) Via endocytose komt die in de cel
3) DNA van virus integreert in DNA van cel 3) Reverse transcriptase RNA wordt
4) Transcriptie verlaat kern vertaald in DNA
5) Exocytose 4) Transcriptie
2