BINAS: 78, 92A
BASISSTOF 2 ORGANISATIENIVEAUS VAN DE BIOLOGIE
Organisme zijn georganiseerd in biologische eenheden, ook wel organisatieniveaus genoemd.
1) Molecuul; bouwstenen van stoffen.
2) Organel; een onderdeel van een cel met speciale bouw en functie.
3) Cel.
4) Weefsel; meerdere cellen bij elkaar van dezelfde vorm en functie.
5) Orgaan; een deel van een organisme met specifieke bouw en functie, zoals botten.
6) Organenstelsel; bestaat uit aantal organen die een bepaalde functie uitvoeren, zoals een beenstelsel.
7) Organisme.
8) Populatie; een groep individuen van dezelfde soort die in een bepaald gebied wonen en zich onderling
voortplanten.
9) Levensgemeenschap; alle populaties die in een bepaald gebied samen wonen.
10) Ecosysteem; een begrensd gebied met een bepaalde eigenschappen. Zowel levende als niet levende
natuur word meegerekend.
11) Biosfeer/systeem aarde; alle ecosystemen over de wereld.
Als op hogere organisatieniveau een nieuwe eigenschap ontstaat die op een lagere niveau er niet is, noem je
dat een emergente eigenschap.
BASISSTOF 3 HOOFDTHEMA’S IN DE BIOLOGIE
Zelfregulatie zijn alle dingen die je doet om te overleven. Zelforganisatie gaat over dat alles goed geregeld is in
een organisme. Hierdoor ontstaat ordering.
Op elk organisatieniveau vindt interactie plaats (bijvoorbeeld het eten van een ander dier). Ook kan een
organisme zich reproduceren (voorplanten). Door evolutie bestaan verschillende soorten. Natuurlijke selectie
zijn de organismen die het beste zijn aangepast aan de omgeving en een grotere overlevingskans en
voorplantingskans hebben.
Domeinen:
Bacteriën
Archaea Prokaryoten (geen celkern)
Planten
Eukaryoten
Dieren
Schimmels
Protisten (twijfelaars)
Virussen horen er niet bij, omdat ze niet uit cellen bestaan en niet kunnen voortplanten met hunzelf.
H2 CELLEN
BINAS: 79BC, 80A, 94C, 76AB
BASISSTOF 1 WEEFSELONDERZOEK
De medische naam voor een gezwel is een tumor. Het verzamelen van weefsel wordt biopsie genoemd, het
afgenomen weefsel een biopt.
BASISSTOF 2 ZELF CELLEN BEKIJKEN
, Om cellen met een microscoop te bekijken, maak je eerst een preparaat van de cellen. Elektronenmicroscopen
zijn meer vergroot.
BASISSTOF 3 PLANTAARDIGE EN DIERLIJKE CELLEN
Onder andere door de opname en afgifte van stoffen vinden in de cel chemische reacties plaats. Bij een aantal
processen komt energie vrij die door andere processen wordt benut, zoals beweging, groei, communicatie en
de vermeerdering van de cel. Hierdoor kan de cel zich in stand houden.
Celkern (burgermeester)= regelt alles wat er in een cel gebeurd.
Lysosoom (Packman)= zorgt voor de afbraak/vertering van stoffen/organellen.
Golgi apparaat (postkantoor)= zorgt dat alle gevormde stoffen op de juiste plaats komen en geeft
sommige eiwitten de vorm.
Mitochondriën (windmolens)= leveren energie aan de cel (ATP).
Endoplasmatisch reticulum (fabriek)= hierin worden de meeste stoffen gemaakt.
Ribosomen (arbeiders)= deze maken daadwerkelijk de stoffen.
Transportblaasjes (NS, vrachtwagens)= deze vervoeren de gevormde stoffen d.m.v. Het cytoskelet
(kabelbaantjes).
Celmembraan= scheidt het inwendige van de cel af van zijn omgeving.
Vacuole= belangrijke rol bij de stevigheid van plantaardige cellen.
Organellen zijn structuren in een cel. Plastiden komen alleen bij planten voor in drie types:
- Chloroplasten (bladgroenkorrels).
- Chromo plasten (kleurstofkorrels).
- Leukoplasten met zelfmeelkorrels.
BASISSTOF 4 WEEFSELS EN ORGANEN
Stamcellen zijn cellen die zich nog niet hebben ontwikkelt tot een bepaald type cel en geen specifieke functie
hebben. Embryonale stamcellen kunnen zich differentiëren (veranderen) in alle soorten cellen. Adulte
stamcellen kunnen zich differentiëren in een beperkt aantal cellen.
Op verschillende plaatsten komt dekweefsel voor, dit weefsel omsluit delen van een organisme of het hele
organisme.
BASISSTOF 5 DE CELORGANELLEN
In het kernmembraan bevindt zich kernporiën, deze regelen het transport van stoffen in en uit de kern. Het
afgeven van stoffen door cellen wordt secretie genoemd.
Celmembranen bestaan uit een dubbele laag van fosfolipiden, dit zijn vetachtige stoffen. De ene kant van de
molecuul is in water oplosbaar en de andere kant waterafstotend.
In het membraan liggen grote aantal eiwitmoleculen. Deze spelen een rol bij het transport van stoffen in en uit
een cel. Verder bevat het celmembraan cholesterol, dit speelt een rol in de stevigheid.
Celmembranen zijn selectief permeabele, dat wil zeggen dat ze bepaalde stoffen wel doorlaten, en andere niet.
Prokaryoten- celmembraan, celwand, cytoplasma.
Cellen van planten- celkern, celmembraan, celwand, cytoplasma, endoplasmatisch reticulum, vacuole,
mitochondriën, plastiden.
Cellen van dieren – celkern, celmembraan, cytoplasma, endoplasmatisch reticulum, mitochondriën.