Hoe kan het spierweefsel voor contractie zorgen?
___________________________________________________________________________
Waar bestaat een spier uit?
- Spiervezel/cel (muscle fiber):
- Endomysium: bindweefsel, om ieder spiercel
- Sarcolemma: wand om spiercel
- Fascicle: bundel van spiercellen
- Perimysium: bindweefsel om fascicle
- Epimysium: om de hele spier
In de spiercel:
- Miofibril: eiwitten die voor contractie kunnen zorgen, kleine spiercellen in de spiercel
- Acine: dunne filament
- Myosin: dikke filament
Spiercontractie is alleen mogelijk als er calcium
is vrijgekomen.
,Medisch Biologisch week 2
Kernbegrippen:
Epimysium
Perimysium
Endomysium
Myofibrillen
Myofilamenten
Motorische eenheid
Sarcomeer
Sarcoplasmatisch reticulum
T-tubuli
Actine
Myosine
Adenosinetrifosfaat (ATP)
Glycolyse
Citroenzuurcyclus
Oxidatieve fosforylering
Creatinefosfaat
Pyrodruivenzuur
Glycogeen
Lactaat
Anaeroob / aeroob
Hemoglobine
Myoglobine
Acetyl Co A
Contractie
Mitochondrieen
Sarcolemna
- Spier kan alleen trekken, niet duwen
- Bij tegenovergestelde beweging heb je de tegenovergestelde spier nodig
- Biceps buigt, triceps trekt
Anatomie van een spier:
- Pees(tendon) hecht aan op een stukje bot
- In de spier zitten spierbundels
- In de spierbundels zitten spiercellen
- Spiervezel/cel (muscle fiber):
- Endomysium: bindweefsel, om ieder spiercel
- Sarcolemma: wand om spiercel
- Fascicle: bundel van spiercellen
- Perimysium: bindweefsel om fascicle
- Epimysium: om de hele spier
, Motorische eenheid:
- Motor neuron maakt contact met meerdere spiercellen
Bestaat uit:
• de motorische zenuwcel (=motoneuron) +
• de spiervezels die door deze motoneuron worden geïnnerveerd
In spiercel:
- Myofibrillen
- Om de spiercel zit spiervezelmembraan(sarcolemma)
In myofibril:
- T tubulus (gele), maakt contact met sarcolemma
- Sarcoplasmatisch reticulum (paarse)
- Myofillamenten, actine(dun) en myosine(dik)
Myosine:
- Heeft een kop en een staart
Actine:
- Keten van bolletjes, G actine
- Wordt bij elkaar gehouden door tropomyosine
- Aanhechtingspunten zijn troponin complex
Stappen in de spiercontractie:
- Prikkeltje vanaf zenuwstelsel
- Zenuwimpuls bij einde van vezel
- Sarcolemma ontvangt de prikkel
- Buisjessysteem begeleid de prikkel naar het sarcoplasma
- Buisjessysteem liggen calciumionen(Ca++), calcium laat los en verspreidt zich door de cel
door middel van diffusie
- Ca++ bindt zich aan troponine, gele op de actine
, - Troponine trekt tropomuosine van de receptorplaats
- Komt een plek vrij voor binding tussen actine en myosine
- De kop van het myosine maakt een werkslag, trekt actine over zich heen
- Er bindt zich nieuwe ATP aan de kop
- Kop laat los en richt zich op
Stappen in de spierontspanning:
- Er komen geen zenuwprikkels meer
- Het spiervezelmembraan raakt niet meer geprikkeld
- De calcium pomp gaat het Ca++ terugpompen in het sarcoplasmatisch reticulum → dit kost
energie
- Tropomyosine rolt terug
- Crossbridges worden verbroken
- Vezel ontspant → spierrelaxatie
- Spier is nooit helemaal onstpannen
ATP = adenosine triphosphate, nodig voor:
- Voor het opladen van de myosinekop
- Voor het losmaken van de crossbridge na de werkslag
- Voor de calciumpomp
Structuur van ATP
3 fosfaat groepen (Pi)
Bij splitsing komt energie vrij:
- H2O → water
- ADP → adenosine difosfaat
- Pi → anorganisch fosfaat
ATP zorgt voor energie
3 systemen ontwikkelen ATP
- Splitsing van creatine fosfaat
- Glycolyse
- Krebscyclus en oxidatieve fosforylering
Splitsing van creatine fosfaat (CP)
- Bij splitsing onmiddellijke bron van ATP
- Bij splitsing fosfaat + ADP = ATP
- Snel uitgeput, systeem raakt op na aantal secondes
Glycolyse
- Verbranding van glucose
- 1 glucosemolecuul → eindproduct 2 ATP en bijproduct 2 pyrodruivenzuur
- Glucose komt uit bloed of uit je spieren waar glycogeen ligt opgeslagen met
glucosemoleculen
- Geen zuurstof? → pyrodruivenzuur omgezet in lactaat/melkzuur/lactic acid, gedeelte gaat
naar het bloed en deel gaat naar spiercel. Dat lactaat levert geen ATP op.
- Proces zonder zuurstof → anaeroob
Wel zuurstof?:
- Bloed, hemoglobine
- Myoglobine, zuurstof opgeslagen in spier
___________________________________________________________________________
Waar bestaat een spier uit?
- Spiervezel/cel (muscle fiber):
- Endomysium: bindweefsel, om ieder spiercel
- Sarcolemma: wand om spiercel
- Fascicle: bundel van spiercellen
- Perimysium: bindweefsel om fascicle
- Epimysium: om de hele spier
In de spiercel:
- Miofibril: eiwitten die voor contractie kunnen zorgen, kleine spiercellen in de spiercel
- Acine: dunne filament
- Myosin: dikke filament
Spiercontractie is alleen mogelijk als er calcium
is vrijgekomen.
,Medisch Biologisch week 2
Kernbegrippen:
Epimysium
Perimysium
Endomysium
Myofibrillen
Myofilamenten
Motorische eenheid
Sarcomeer
Sarcoplasmatisch reticulum
T-tubuli
Actine
Myosine
Adenosinetrifosfaat (ATP)
Glycolyse
Citroenzuurcyclus
Oxidatieve fosforylering
Creatinefosfaat
Pyrodruivenzuur
Glycogeen
Lactaat
Anaeroob / aeroob
Hemoglobine
Myoglobine
Acetyl Co A
Contractie
Mitochondrieen
Sarcolemna
- Spier kan alleen trekken, niet duwen
- Bij tegenovergestelde beweging heb je de tegenovergestelde spier nodig
- Biceps buigt, triceps trekt
Anatomie van een spier:
- Pees(tendon) hecht aan op een stukje bot
- In de spier zitten spierbundels
- In de spierbundels zitten spiercellen
- Spiervezel/cel (muscle fiber):
- Endomysium: bindweefsel, om ieder spiercel
- Sarcolemma: wand om spiercel
- Fascicle: bundel van spiercellen
- Perimysium: bindweefsel om fascicle
- Epimysium: om de hele spier
, Motorische eenheid:
- Motor neuron maakt contact met meerdere spiercellen
Bestaat uit:
• de motorische zenuwcel (=motoneuron) +
• de spiervezels die door deze motoneuron worden geïnnerveerd
In spiercel:
- Myofibrillen
- Om de spiercel zit spiervezelmembraan(sarcolemma)
In myofibril:
- T tubulus (gele), maakt contact met sarcolemma
- Sarcoplasmatisch reticulum (paarse)
- Myofillamenten, actine(dun) en myosine(dik)
Myosine:
- Heeft een kop en een staart
Actine:
- Keten van bolletjes, G actine
- Wordt bij elkaar gehouden door tropomyosine
- Aanhechtingspunten zijn troponin complex
Stappen in de spiercontractie:
- Prikkeltje vanaf zenuwstelsel
- Zenuwimpuls bij einde van vezel
- Sarcolemma ontvangt de prikkel
- Buisjessysteem begeleid de prikkel naar het sarcoplasma
- Buisjessysteem liggen calciumionen(Ca++), calcium laat los en verspreidt zich door de cel
door middel van diffusie
- Ca++ bindt zich aan troponine, gele op de actine
, - Troponine trekt tropomuosine van de receptorplaats
- Komt een plek vrij voor binding tussen actine en myosine
- De kop van het myosine maakt een werkslag, trekt actine over zich heen
- Er bindt zich nieuwe ATP aan de kop
- Kop laat los en richt zich op
Stappen in de spierontspanning:
- Er komen geen zenuwprikkels meer
- Het spiervezelmembraan raakt niet meer geprikkeld
- De calcium pomp gaat het Ca++ terugpompen in het sarcoplasmatisch reticulum → dit kost
energie
- Tropomyosine rolt terug
- Crossbridges worden verbroken
- Vezel ontspant → spierrelaxatie
- Spier is nooit helemaal onstpannen
ATP = adenosine triphosphate, nodig voor:
- Voor het opladen van de myosinekop
- Voor het losmaken van de crossbridge na de werkslag
- Voor de calciumpomp
Structuur van ATP
3 fosfaat groepen (Pi)
Bij splitsing komt energie vrij:
- H2O → water
- ADP → adenosine difosfaat
- Pi → anorganisch fosfaat
ATP zorgt voor energie
3 systemen ontwikkelen ATP
- Splitsing van creatine fosfaat
- Glycolyse
- Krebscyclus en oxidatieve fosforylering
Splitsing van creatine fosfaat (CP)
- Bij splitsing onmiddellijke bron van ATP
- Bij splitsing fosfaat + ADP = ATP
- Snel uitgeput, systeem raakt op na aantal secondes
Glycolyse
- Verbranding van glucose
- 1 glucosemolecuul → eindproduct 2 ATP en bijproduct 2 pyrodruivenzuur
- Glucose komt uit bloed of uit je spieren waar glycogeen ligt opgeslagen met
glucosemoleculen
- Geen zuurstof? → pyrodruivenzuur omgezet in lactaat/melkzuur/lactic acid, gedeelte gaat
naar het bloed en deel gaat naar spiercel. Dat lactaat levert geen ATP op.
- Proces zonder zuurstof → anaeroob
Wel zuurstof?:
- Bloed, hemoglobine
- Myoglobine, zuurstof opgeslagen in spier