Zetpillen, biofarmaceutisch
Frijlink
Rectale toediening wordt gebruikt bij:
- Patiënten met slikproblemen
Hieronder vallen onder andere comateuze patiënten en patiënten met slokdarm- of
maagbeschadiging.
- Kinderen
- Misselijkheid bij patiënten
- Geneesmiddelen die niet bestand zijn tegen het maag-darm milieu
- Vermindering van het first-pass effect, dit geldt echter niet voor de hele rectum.
De absorptie vanuit het rectum vindt plaats via 3 verschillende venen:
- V. rectalis superior
- V. rectalis media
- V. rectalis inferior
Het first-pass effect wordt alleen ontweken via de V. rectalis inferior.
Het rectum heeft een gering absorptievlak en ook een gering eigen
volume, namelijk 10 mL. In het rectum heerst een neutrale pH tussen de 6
en de 7. Dit is afhankelijk van het voedsel en van de bacteriële activiteit in
het colon. De absorptie in het rectum is reproduceerbaar, aangezien de
weg naar absorptie veel kleiner is dan via orale toediening. Via orale
toediening moet het farmacon in de dunne darm komen om voldoende
opgenomen te kunnen worden. Deze weg is dus veel langer dan gewoon in
het rectum. Om goede absorptie te krijgen, moet een grote fractie van het
farmacon niet-geïoniseerd zijn. Hierbij komt de pH-partitie theorie om de
hoek kijken.
pH-partitie hypothese
Het membraan van de cel is een lipofiele barrière, daardoor kunnen stoffen met een lading niet over
het membraan. Als de stof geïoniseerd is, is het dus geladen. Dus alleen niet-geïoniseerde stoffen
kunnen over het membraan. Een ongebufferde oplossing zorgt voor een verhoging van de pH van de
totale vloeistof. Dit zorgt voor een verlaging van de ongeïoniseerde fractie. Minder ongeïoniseerde
fractie betekent dus een slechtere absorptie.
Zuur:
−1
niet−geïoniseerde fractie=[ 1+10 pH − pKa ]
Base:
−1
niet−geïoniseerde fractie=[ 1+10 pKa − pH ]
Voor een zwak zuur is de hoogste niet-geïoniseerde fractie aanwezig als de pH zuur is. Een basische
omgeving zorgt voor een hogere niet-geioniseerde fractie van een base.
Nulde-orde absorptie
500 mg paracetamol in 10 mL lost helemaal op, maar 500 mg in 5,0 mL lost maar voor de helft op. Dit
wil zeggen dat 250 mg oplost, en de andere 250 mg in een suspensie komt. Deze 250 mg komt pas
later vrij. Er is dus dezelfde Area Under the Curve als 500 mg in 10 mL.
Bij 1000 mg in 10 mL is er dus maar 500 mg dat echt oplost. De piek ligt dan hoger dan bij 500 mg in
10 mL, maar de Area Under the Curve is 2x zo groot.