Pijn:
- Signaal dat er iets mis is
- Acute, neuropatische of chronische pijn
- Nociceptieve pijn (acuut) pijn bij (dreigende) weefselschade
o Schade leidt tot vrijkomen van hormonen
o Activatie nociceptoren signaal naar ruggenmerg en vervolgens
naar de hersenen
o Stekende, kloppende, zeurende of krampende pijn
Pijnperceptie:
- Verschillen tussen mannen en vrouwen
o Vrouwen hebben een lagere pijndrempel
- Sociaal-culturele verschillen
- Emotionele toestand en omgevingsfactoren
o Angst
o Geurstoffen grotere invloed op gemoedstoestand dan muziek
- Pijn is pijn
Pijnreceptoren:
- Nociceptoren registeren beschadiging,
polymodaal (in het hele lichaam), geen
adaptatie (geen reactie dat er iets moet
gebeuren). Je kan pijn voelen door hitte,
bevriezen, zuur over je heen of gesneden
worden.
- Transductie proces omzetting van prikkel in
elektrisch signaal.
- Transmissie het overbrengen van de
omgevormde zenuwprikkels via het ruggenmerg naar de hersenen.
- Modulatie de hersenen beoordelen de pijnprikkels en
zorgen voor terugkoppeling (dempen/versterken).
Centraal zenuwstelsel
- Hersenen ruggenmerg
Perifeer zenuwstelsel: alle zenuwen buiten het centraal
zenuwstelsel. Het perifere deel is de verbidnding tussen het
centrale stelsel en de spieren en de organen
- Sensorisch (gevoelszenuw, afferente zenuw) affectie
- Motorisch (bewegingszenuw, efferente zenuw) effectief
Perifeer zenuwstelsel:
- Autonoom, geen controle, onwillekeurig (bijv.
hartslag, vertering, ademhaling)
o Sympatisch zenuwstelsel. Actief: fights or
flight
o Parasympathisch zenuwstelsel.
Ontspannen: rest and digest
- Somatisch, wel controle, bewust en willekeurig