A) Hypothese opstellen
B) Probleemstelling formuleren
C) Data verzamelen
D) Resultaten interpreteren
Antwoord: B
2. Wat beschrijft de betrouwbaarheid van een onderzoek het best?
A) Of de meetinstrumenten geldig zijn
B) Of het onderzoek reproduceerbaar is
C) Of de hypothese wordt bevestigd
D) Of het onderzoek alle variabelen dekt
Antwoord: B
3. Welke schaal meet de volgorde zonder gelijke afstanden tussen
categorieën?
A) Nominaal
B) Ordinaal
C) Interval
D) Ratio
Antwoord: B
4. Wat is volgens Verhoeven een belangrijk kenmerk van fundamenteel
onderzoek?
A) Het richt zich op praktische oplossingen
B) Het richt zich op het uitbreiden van kennis
C) Het wordt altijd toegepast in een bedrijfssituatie
D) Het is gericht op het testen van hypotheses
Antwoord: B