Inleiding burgerlijk procesrecht
Week 1:
onderscheid maken tussen het materiële en het formele privaatrecht;
Recht
Publiekrecht Privaatrecht
Materieel privaatrecht Formeel privaatrecht
Burgerlijk recht Burgerlijk procesrecht
Materieel privaatrecht: Omvat inhoudelijke rechten en plichten: rechtsregels om situaties,
rechtsverhoudingen en handelingen juridisch te definiëren en kwalificeren. Bijvoorbeeld 7:18 lid 2
BW
Formeel privaatrecht: geeft antwoord op de vraag welke procedureregels deze rechten en plichten
kunnen worden geeffectueerd. Ofwel hou kunnen de materiele rechtsregels worden afgedwongen
bij de rechter. Aan welke regels moeten de betrokken partijen zich houden.
de rol en functie van het burgerlijk procesrecht uitleggen en beschrijven
- Het handhaven en beïnvloeden van materiele burgerlijke rechten en plichten.
- Het voorkomen van een gerechtelijke procedure; de middelen die het burgerlijk procesrecht
biedt kunnen een preventieve werking hebben. Onder dreiging van een gerechtelijke
procedure zijn burgers vaak bereid om alsnog vrijwillig hun plichten te vervullen.
- Het voorkomen van eigenrichting; doordat het burgerlijk procesrecht middelen tot
handhaving van de civiele rechtsorde ter beschikking stelt, wordt eigenrichting zo veel
mogelijk voorkomen.
de beginselen van en begrippen uit het burgerlijk procesrecht benoemen, uitleggen en
verklaren;
De algemene uitgangspunten:
1. Recht op rechtspraak en rechtsbijstand: Dit houdt in dat door iedereen een geschil moet kunnen
worden voorgelegd aan een overheidsrechter en dat eenieder recht heeft op juridische bijstand in
een procedure. Art. 17/18/112 Gw
2. Onafhankelijke en onpartijdige rechter: Uitgangspunt in het Nederlandse recht is dat er recht
wordt gesproken door een onafhankelijke en onpartijdige gerechtelijke instantie, bij de wet
ingesteld. Onafhankelijkheid ziet er op dat er geen lijn is tussen de rechtspraak en de andere twee
staatsmachten en onpartijdigheid ziet er op toe dat de rechter zich niet moet laten leiden door de
procespartijen.
3. Hoor en wederhoor: Het beginsel van hoor en wederhoor betekent dat beide partijen in de
gelegenheid gesteld moeten worden om hun standpunten in een zaak naar voren te brengen. Art. 19
Rv.
4. Behandeling en beslissing binnen redelijke termijn : De behandeling van en beslissing over een
zaak dienen binnen een redelijke termijn te geschieden. De rechter en partijen waken tegen
onredelijke vertraging van de procedure. Art. 20 lid 1 en 2 Rv.
5. Openbaarheid van zitting en uitspraak : Het openbaarheidsbeginsel heeft betrekking op de
openbaarheid van de zittingen en uitspraak. Zittingen dienen in het openbaar plaats te vinden art. 27
lid 1 Rv. Uitzonderingen: goede zeden, openbare orde, nationale veiligheid, het belang van
minderjarigen of het beschermen van het privé leven van de procespartijen. Zitting is hier gesloten
maar uitspraak altijd openbaar.
,6. Motiveringsbeginsel : Naast dat de uitspraak openbaar moet zijn dient de rechter zijn uitspraak te
motiveren met redenen om kleed te geven. De uitspraak moet grondslagen voor de uitspraak en de
argumenten die de rechter aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd inhouden. Art. 30 Rv 121
Gw en 5 lid 1 wet RO
7. Geen rechtsweigering en volledige beslissing : De rechter mag niet weigeren om een uitspraak te
doen art. 26 Rv, 13 wet AB. Bovendien moet de eindbeslissing van de rechter volledig zijn: alle
geschilpunten moeten worden betrokken art. 23 Rv.
8. Beginsel van partijautonomie : Het beginsel van partijautonomie wil zeggen dat de grondslag
voor de beslissingen van de rechter wordt gevormd door de stelling van de procespartijen. Anders
gezegd: partijen bepalen de omvang van de procedure. De burgerlijke rechter is lijdelijk. Hij oordeelt
alleen over datgene dat de partijen hem voorleggen art. 24 Rv.
9. Ambtshalve aanvulling van rechtsgronden : Dat houdt in dat de rechter de verplichting heeft om
indien nodig op eigen initiatief de rechtsgronden aan te vullen art. 25 Rv.
aangeven hoe het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Wet op de Rechterlijke
Organisatie zijn opgebouwd;
Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering:
Boek 1: wijze van procederen
Boek 2: tenuitvoerlegging en akten
Boek 3: rechtspleging van onderscheiden aard
Boek 4: arbitrage
de betrokken spelers en instanties binnen het burgerlijk procesrecht benoemen en hun rol en
taak beschrijven;
Betrokken spelers en instanties binnen het BPR:
Natuurlijk persoon: personen van vlees en bloed
Rechtspersoon: juridische constructie die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
Advocaat: rechtshulpverlener die krachtens de Advocatenwet is beëdigd om procespartijen van
deskundige rechtsbijstand te voorzien.
Gemachtigde: bevoegde om proceshandelingen in naam van een partij te verrichten
Gerechtsdeurwaarder: een door de kroon benoemd openbaar ambtenaar met officiële ambtstaken
Rechter: het is de taak van de rechter aan het eind van de procedure een uitspraak te doen
Griffier: de gerechtelijke administrateur die als manager van de griffie functioneert en tevens
terechtzittingen en verhoren bijwoont om daar vervolgens aantekeningen en proces-verbaal van te
maken( dit doet de gerechtssecretaris tegenwoordig ook)
Gerechtssecretaris: woont terechtzittingen en verhoren bij om daar een proces-verbaal van te
maken.
, aangeven welke kosten er komen kijken bij het voeren van een gerechtelijke procedure in het
burgerlijk recht.
1. Kosten voor gemachtigde/advocaat:
- Kantoorkosten
- Honorarium (salaris, uurtarief)
- Verschotten: reiskosten, kosten voor tolk, telefoonkosten
2. Griffiekosten
3. Beteken van de dagvaarding, deurwaarderskosten
4. Eventuele proceskosten van de tegenpartij bij verlies
Week 2:
uitleggen en toepassen wanneer de dagvaardingsprocedure en wanneer de
verzoekschriftprocedure moet worden gevolgd;
Hoofdregel:
In beginsel wordt de dagvaardingsprocedure gevolgd, tenzij de wet aangeeft dat de
verzoekschriftprocedure gevolgd moet worden zoals beschreven in art. 78 jo. 261 Rv. De
materiële wet geeft dit aan met het woord verzoeken of afgeleide woorden hiervan.
de start van de dagvaardingsprocedure beschrijven: wie stelt de dagvaarding op, hoe komt
deze bij gedaagde en wanneer moet de gedaagde voor de rechter verschijnen?;
- Opstellen dagvaarding
- Beteken dagvaarding
- Aanbrengen dagvaarding
- Rolzitting
Elke dagvaardingsprocedure begint met een dagvaarding die door een bevoegde deurwaarder aan de
gedaagde partij wordt overhandigd ( art. 45 en 111 lid 1 Rv). Dit overhandigen wordt het betekenen
van de dag vaarding genoemd. De dagvaarding wordt opgesteld door de advocaat of gemachtigde
van de eisende partij. In de dagvaarding staan gegevens en formaliteiten vermeld en wanneer/waar
de zitting plaats zal vinden.
De opbouw en structuur van de dagvaarding bestaat uit drie onderdelen:
1. Formaliteiten en administratieve gegevens: Het eerste deel van de dagvaarding wordt
gevormd door een aantal formaliteiten en gegevens. De wet schrijft deze dwingendrechtelijk
voor.
2. Inhoudelijk middenstuk: Het tweede deel van de dagvaarding is het omvangrijkste gedeelte.
Het wordt gevormd door de gronden van de eis ofwel de feitelijke en juridische
onderbouwing. Anders gezegd: waarom meent de eiser dat de rechter zijn vordering moet
toewijzen. Het wordt ook wel fundamentum petendi genoemd. In het middendeel van de
dagvaarding zal de eiser aangeven welke verweren de gedaagde voorafgaand aan de
procedure eventueel heeft gevoerd en welke bewijzen en getuigen de eiser beschikt om zijn
stelling te bewijzen.
3. De eis: in de eis of vordering vermeldt de eiser precies wat hij van de rechter wenst.