Farmacologie
De wetenschap die zich bezighoudt met de effecten van chemische stoffen op de functie van
levende systemen. Medicijnen zijn lichaamsvreemde stoffen. In de mondzorgkunde heb je
verdoving maar kan bijvoorbeeld invloed hebben op speeksel. Ook kan het de kans op cariës
en erosie verhogen.
Het begon allemaal met witte wilg (salix alba) en olmkruid (spiraea ulmaria) hierna kwam
hippocrates en vervolgens de aspirine.
- Wat doet het geneesmiddel met de patiënt:
farmacodynamiek
- Wat doet de patiënt met het geneesmiddel:
farmacokinetiek
- Vormt samen rationele farmacotherapie er
is over nagedacht
Innemen opgenomen door de darm
distributie moet naar alle organen
biotransformatie moet afbreken worden excretie
uitgescheiden door nieren farmacon receptor.
Receptoren in organen kun je zien als een
regelknop. Ze binden aan een receptor en worden
dan werkzaam. Receptoren zijn
aangrijpingspunten van geneesmiddelen.
Adrenaline en acethlcholine hebben bijvoorbeeld
na het binden invloed op de hart frequentie.
- Agonisten zijn geneesmiddelen die een
receptor aanzetten
- Antagonisten zijn gemeenmiddelen die een receptor kunnen blokkeren zodat
lichaamseigen stoffen de receptor niet meer aan kunnen zetten.
Bijvoorbeeld adrenaline heeft een stimulerende werking op A en B receptoren van het
sympathisch zenuwstelsel het is dus een agonist.
Dezelfde receptoren kunnen voorkomen in verschillende organen.
De meeste receptoren bevinden zich buiten de bloedbaan.
Na toediening moet er wel voldoende geneesmiddel te plaatse komen. Toch is de
concentratie van een geneesmiddel in het bloed vaak een goede afspiegeling van het te
verwachten effect. Omdat bloed makkelijk af te nemen is. de relatie tussen bloed en organen
is ongeveer hetzelfde.
Om moeten in het bloed om goed werkzaam te zijn, maar niet te veel ernstige bijwerkingen
te geven is het van belang dat de concentratie in het bloed/plasma tussen bepaalde grenzen
blijft.
De werking/dosis verschilt van geneesmiddel tot geneesmiddel.
Een dosis is bijvoorbeeld 500 mg en een dosering is bijvoorbeeld 2 maal daags.
, Maximale dosis hoeveel mag iemand hebben. Toxische dosis wanneer treedt de eerste
bijwerking op. Lethale dosis is wanneer het dodelijk is. wordt niet naar gekeken omdat het
veel belangrijker is wanneer de eerste bijwerking optreedt.
Niet alle geneesmiddel dat je oraal toeneemt komt in de algemene bloedsomloop van het
lichaam terecht. Wanneer de darm het bijvoorbeeld niet opneemt. De biologische
beschikbare hoeveelheid is dat gedeelte van de dosis dat na toediening in de systemische
circulatie komt. Systemische circulatie is dat het bij alle organen kan komen. i.v toediening
100% biologische beschikbaarheid.
Hoe je medicatie inneemt is ook van belang. De medicatie moet optijd oplossen op de juiste
plek.
Geneesmiddelen kunnen erg verschillen in mate en wijze van verdeling over het lichaam.
Denk aan hydrofiel/hydrofoob en lipofiel/lipofoob.
Eliminatie is het uitscheiden door bijvoorbeeld de nieren en de lever. Stoffen worden
afgebroken in de lever en de nieren voor uitscheiding. Voornaamste voor bio in de lever.
Halfwaardetijd tijd die het duurt om de helft van de hoeveelheid geneesmiddel die in het
lichaam aanwezig is te verwijderen. Na het stoppen van een geneesmiddel duurt het
ongeveer 5 halfwaardetijden voordat alle geneesmiddel uit het lichaam is verdwenen. Hoe
korter de halfwaardetijd van een geneesmiddel, hoe vaker je het op een dag moet geven.
Ouderen hebben vaak slechtere nier- en /of leverfunctie langere halfwaardetijd.
Aanpassen van de dosering vanwege verminderde omzetting en uitscheiding. Wanneer je dit
niet doet kom je sneller aan de toxische waarde. De lichaamssamenstelling en gevoeligheid
voor geneesmiddel is veranderd. Hebben vaak minder spieren meer vet. Ook slikken ze vaak
meerdere medicatie wat voor proberen kan zorgen.
Dosering bij kinderen is erg lastig. De gevoeligheid voor geneesmiddelen van kinderen is
hoger. We weten weinig omdat de geneesmiddelen worden op volwassenen getest en niet
op kinderen. Kinderen tot acht weken is een speciale categorie omdat er veel veranderingen
plaats vinden en omdat er nog veel antistoffen aanwezig zijn van de moeder.
Misbruik van geneesmiddel is gebruik zonder medische noodzaak
Verslaving
- Emotionele afhankelijkheid
- Lichamelijke afhankelijkheid
- Gewenning
Elke geneesmiddel mogelijk giftig. Alles is giftig ligt aan de dosis die je neemt. Maatregelen:
- Voorkomen dat het wordt opgenomen (braken, drinken, laxeren, maagspoelen)
- Versnelt verwijderen van het vergif (dialyseren)
- Geven van een tegengif (antidotum)
- Bestrijden van vergiftigingsverschijnselen
Trombose: een aandoening waarbij er in de bloedvaten en bloedstolsel, de trombus,
gevormd wordt. Hierdoor kan een longembolie ontstaan. Veneuze trombose: trias van
virchow:
- Verhoogde stolbaarheid bloed
- Vertraagde bloedstroom
De wetenschap die zich bezighoudt met de effecten van chemische stoffen op de functie van
levende systemen. Medicijnen zijn lichaamsvreemde stoffen. In de mondzorgkunde heb je
verdoving maar kan bijvoorbeeld invloed hebben op speeksel. Ook kan het de kans op cariës
en erosie verhogen.
Het begon allemaal met witte wilg (salix alba) en olmkruid (spiraea ulmaria) hierna kwam
hippocrates en vervolgens de aspirine.
- Wat doet het geneesmiddel met de patiënt:
farmacodynamiek
- Wat doet de patiënt met het geneesmiddel:
farmacokinetiek
- Vormt samen rationele farmacotherapie er
is over nagedacht
Innemen opgenomen door de darm
distributie moet naar alle organen
biotransformatie moet afbreken worden excretie
uitgescheiden door nieren farmacon receptor.
Receptoren in organen kun je zien als een
regelknop. Ze binden aan een receptor en worden
dan werkzaam. Receptoren zijn
aangrijpingspunten van geneesmiddelen.
Adrenaline en acethlcholine hebben bijvoorbeeld
na het binden invloed op de hart frequentie.
- Agonisten zijn geneesmiddelen die een
receptor aanzetten
- Antagonisten zijn gemeenmiddelen die een receptor kunnen blokkeren zodat
lichaamseigen stoffen de receptor niet meer aan kunnen zetten.
Bijvoorbeeld adrenaline heeft een stimulerende werking op A en B receptoren van het
sympathisch zenuwstelsel het is dus een agonist.
Dezelfde receptoren kunnen voorkomen in verschillende organen.
De meeste receptoren bevinden zich buiten de bloedbaan.
Na toediening moet er wel voldoende geneesmiddel te plaatse komen. Toch is de
concentratie van een geneesmiddel in het bloed vaak een goede afspiegeling van het te
verwachten effect. Omdat bloed makkelijk af te nemen is. de relatie tussen bloed en organen
is ongeveer hetzelfde.
Om moeten in het bloed om goed werkzaam te zijn, maar niet te veel ernstige bijwerkingen
te geven is het van belang dat de concentratie in het bloed/plasma tussen bepaalde grenzen
blijft.
De werking/dosis verschilt van geneesmiddel tot geneesmiddel.
Een dosis is bijvoorbeeld 500 mg en een dosering is bijvoorbeeld 2 maal daags.
, Maximale dosis hoeveel mag iemand hebben. Toxische dosis wanneer treedt de eerste
bijwerking op. Lethale dosis is wanneer het dodelijk is. wordt niet naar gekeken omdat het
veel belangrijker is wanneer de eerste bijwerking optreedt.
Niet alle geneesmiddel dat je oraal toeneemt komt in de algemene bloedsomloop van het
lichaam terecht. Wanneer de darm het bijvoorbeeld niet opneemt. De biologische
beschikbare hoeveelheid is dat gedeelte van de dosis dat na toediening in de systemische
circulatie komt. Systemische circulatie is dat het bij alle organen kan komen. i.v toediening
100% biologische beschikbaarheid.
Hoe je medicatie inneemt is ook van belang. De medicatie moet optijd oplossen op de juiste
plek.
Geneesmiddelen kunnen erg verschillen in mate en wijze van verdeling over het lichaam.
Denk aan hydrofiel/hydrofoob en lipofiel/lipofoob.
Eliminatie is het uitscheiden door bijvoorbeeld de nieren en de lever. Stoffen worden
afgebroken in de lever en de nieren voor uitscheiding. Voornaamste voor bio in de lever.
Halfwaardetijd tijd die het duurt om de helft van de hoeveelheid geneesmiddel die in het
lichaam aanwezig is te verwijderen. Na het stoppen van een geneesmiddel duurt het
ongeveer 5 halfwaardetijden voordat alle geneesmiddel uit het lichaam is verdwenen. Hoe
korter de halfwaardetijd van een geneesmiddel, hoe vaker je het op een dag moet geven.
Ouderen hebben vaak slechtere nier- en /of leverfunctie langere halfwaardetijd.
Aanpassen van de dosering vanwege verminderde omzetting en uitscheiding. Wanneer je dit
niet doet kom je sneller aan de toxische waarde. De lichaamssamenstelling en gevoeligheid
voor geneesmiddel is veranderd. Hebben vaak minder spieren meer vet. Ook slikken ze vaak
meerdere medicatie wat voor proberen kan zorgen.
Dosering bij kinderen is erg lastig. De gevoeligheid voor geneesmiddelen van kinderen is
hoger. We weten weinig omdat de geneesmiddelen worden op volwassenen getest en niet
op kinderen. Kinderen tot acht weken is een speciale categorie omdat er veel veranderingen
plaats vinden en omdat er nog veel antistoffen aanwezig zijn van de moeder.
Misbruik van geneesmiddel is gebruik zonder medische noodzaak
Verslaving
- Emotionele afhankelijkheid
- Lichamelijke afhankelijkheid
- Gewenning
Elke geneesmiddel mogelijk giftig. Alles is giftig ligt aan de dosis die je neemt. Maatregelen:
- Voorkomen dat het wordt opgenomen (braken, drinken, laxeren, maagspoelen)
- Versnelt verwijderen van het vergif (dialyseren)
- Geven van een tegengif (antidotum)
- Bestrijden van vergiftigingsverschijnselen
Trombose: een aandoening waarbij er in de bloedvaten en bloedstolsel, de trombus,
gevormd wordt. Hierdoor kan een longembolie ontstaan. Veneuze trombose: trias van
virchow:
- Verhoogde stolbaarheid bloed
- Vertraagde bloedstroom