Hoorcollege week 1
Geld en loon is objectief
Subjectieve betekenis van het geld is dat je je gewaardeerd voelt, wat het geld voor jou
betekent
Mensen kunnen ziek worden door te veel arbeid/werk, maar ook doordat ze werkloos zijn.
Ze voelen zich niet gewaardeerd.
Arbeid is alle inspanning zowel fysiek als mentaal die van nut is voor het individu en de
samenleving.
Arbeid is werk wat je beroepsmatig doet
Classificatie arbeid schema:
Formeel betaald: arbeid in loondienst
Informeel betaald: zwartwerk
Informeel onbetaald: huishoudelijk werk
Formeel onbetaald: vrijwilligerswerk
Het belang van arbeid voor een persoon:
Materiële functies:
-Inkomen genereren
-Economische onafhankelijkheid
Immateriële functies:
-Zinvolle tijdsbesteding
-Sociale contacten
-Maatschappelijk aanzien
-Zelf ontplooiingsmogelijkheden
Maatschappelijk belang van arbeid:
Sociale functie
De integratie en emancipatie van achterstandsgroepen. Mensen betrekken bij het proces en
ze verantwoordelijkheid geven. Hierdoor kunnen ze huizen kopen, dit wordt hun eigendom.
Wijken waarin huizen eigendom zijn van de mensen, zijn in de regel beter verzorgd en
worden geen achterstandsbuurt.
Welvaartsfunctie
je werkt en draagt bij aan de economische groei
Verdelingsfunctie
Door participatie heb je een claim op het resultaat, op een deel van het BBP
(Tentamen!) Het arbeidsethos
Traditionele arbeidsethos (accent: lust)
Als je niet werkt dan klopt er iets niet, je leeft om te werken. Arbeid is de manier om je te
verheffen en te laten zien dat je iets voorstelt.
Kritische arbeidsethos (zowel lust als last)
, Arbeid kan leuk zijn maar ook vermoeiend zijn, je werkt om te leven. Arbeid is noodzakelijk
en hoort er bij. -> vandaag de dag het meest dominante
Alternatieve arbeidsethos (accent: last)
Werken is geen leven, arbeid vernederd en maakt je afhankelijk. Arbeid heeft geen nut.
Wanneer is arbeid niet meer moreel maar amoreel? Kinderarbeid, uitbuiting is amoreel.
Maatschappelijke achtergrondfactoren
Cultuur, machtsverhoudingen, ideologie, geloof. Bij een boeddhistische maatschappij stop je
bijvoorbeeld met werken als je genoeg hebt, dus als je de dag kunt doorkomen. Genoeg
verschilt per maatschappij, bij ons is genoeg namelijk een dik pensioen, je kinderen kunnen
helpen bij hun eerste huis, etc.
Persoonlijke achtergrondfactoren
Opvoeding, opvattingen. Arbeidsmoraal kan verschillen. Als je ouders hebt die krakers of
hippies zijn heb je misschien een heel ander arbeidsethos dan iemand die uit een boerderij’s
gezin komt. De opvattingen van je opvoeding spelen een rol, je persoonlijke achtergrond.
Werkgerelateerde factoren
Werkinhoud, arbeidsomstandigheden, beloning, autonomie, als je bijvoorbeeld niet serieus
genomen wordt
Ik werk dus ik ben: traditionele arbeidsethos -> de arbeid zegt iets over mij, ik ontleen mijn
identiteit aan de arbeid
Historische ontwikkelingsgang arbeid
Sacralisering; religieuze motivering van arbeid
Verwereldlijking: economische ver zelfstandigheid van arbeid
Vermaatschappelijking: tijd-ruimtelijke scheiding van arbeid
Humanisering: vermenselijking van de arbeidsverhoudingen
Individualisering: op maat gesneden arbeidsverhoudingen
Arbeidsbestel:
-Ver doorgevoerde arbeidsverdeling
-Leefpatroon wordt geconditioneerd door de arbeid
-Wie je bent wordt deels bepaald door je sociale status vanuit de arbeid
-Arbeidsmarkt wordt gecoördineerd op basis van loon, vraag en aanbod
Alloceren: toewijzen, het koppelen van mensen aan banen
Alloceren genereert geld
Verdelingsfunctie: de toegevoegde waarden van het bedrijf wordt verdeeld over de mensen
die gealloceerd zijn. Ze hebben daarom recht op een stuk van de toegevoegde waarde van
het bedrijf.
Arbeids maatschappelijke institutie:
-
-
-Dichotoom karakter: alles zit dicht gespijkerd met regelgeving. Je kunt bijvoorbeeld
vanwege concurrentiebeding niet zomaar overstappen naar een andere werkgever.