Vraag 1
Montesquieu staat bekend om zijn theorie over hoe een staat op zijn
best kan worden ingericht, de zogenoemde ‘Trias Politica’. Wat zijn de
belangrijkste doelen van deze leer?
a. Helderheid geven aan alle burgers welke overheidsinstanties
welke bevoegdheden hebben.
b. Voorkoming van machtsdecentralisatie, eigenrichting en
rechtsonzekerheid.
c. Voorkoming van machtsmisbruik en borging van de vrijheid van
burgers.
d. Verdeling van de staatsmacht over drie machten: de wetgevende,
bestuurlijke en uitvoerende macht.
Vraag 2
Waarvoor dient het systeem van checks and balances?
a. Garanderen autonomie van de wetgevende, uitvoerende en
rechtsprekende macht.
b. Het in stand houden van een zeker machtsevenwicht.
c. De gerechtelijke controle van wetgeving en uitvoering daarvan.
d. Toezicht van de wetgevende macht op de uitvoerende macht.
Vraag 3
Welke van de onderstaande alternatieven is juist ten aanzien van de
volgende beweringen?
Bewering I: De regering wordt gevormd door de koning en ministers.
Bewering II: De wetgevende bevoegdheid ligt uitsluitend bij de
regering en Staten-Generaal gezamenlijk.
Gemeentes hebben ook een wetgevende bevoegdheid.
a. Beide beweringen zijn juist.
b. Beide beweringen zijn niet juist.
c. Alleen bewering I is juist, bewering II is niet juist.
d. Alleen bewering II is juist, bewering I is niet juist.
Montesquieu staat bekend om zijn theorie over hoe een staat op zijn
best kan worden ingericht, de zogenoemde ‘Trias Politica’. Wat zijn de
belangrijkste doelen van deze leer?
a. Helderheid geven aan alle burgers welke overheidsinstanties
welke bevoegdheden hebben.
b. Voorkoming van machtsdecentralisatie, eigenrichting en
rechtsonzekerheid.
c. Voorkoming van machtsmisbruik en borging van de vrijheid van
burgers.
d. Verdeling van de staatsmacht over drie machten: de wetgevende,
bestuurlijke en uitvoerende macht.
Vraag 2
Waarvoor dient het systeem van checks and balances?
a. Garanderen autonomie van de wetgevende, uitvoerende en
rechtsprekende macht.
b. Het in stand houden van een zeker machtsevenwicht.
c. De gerechtelijke controle van wetgeving en uitvoering daarvan.
d. Toezicht van de wetgevende macht op de uitvoerende macht.
Vraag 3
Welke van de onderstaande alternatieven is juist ten aanzien van de
volgende beweringen?
Bewering I: De regering wordt gevormd door de koning en ministers.
Bewering II: De wetgevende bevoegdheid ligt uitsluitend bij de
regering en Staten-Generaal gezamenlijk.
Gemeentes hebben ook een wetgevende bevoegdheid.
a. Beide beweringen zijn juist.
b. Beide beweringen zijn niet juist.
c. Alleen bewering I is juist, bewering II is niet juist.
d. Alleen bewering II is juist, bewering I is niet juist.