1.SKELETSPIER
GEMEENSCHAPPELIJKE FUNCTIES
- Beweging en kracht genereren (kan ook isometrisch, dus beweging is niet noodzakelijk)
- Skeletspier → warmte: homeostase lichaamstemperatuur
o 20% van de ATP gaat naar beweging de rest naar lichaamstemperatuur
- Hersenen = koud → rillingen door spieren extra warmte
- ATP-consumptie → bronnen: koolhydraten en lipiden → metabole gezondheid
- Lichaamsgewicht verliezen → spiermassa opbouwen
SPIERWEEFSELS
Skeletspieren
- Bevestigd aan beenderen van skelet → lichaamsbeweging
- Verschillende kernen per spiervezel
Hartspier
- In het hart; Verplaatst bloed door de bloedsomloop
- 1 celkern per spiervezel
Gladde spieren
- Spier van inwendige organen en tubes: maag, urineblaas, bloedvaten
- Beweging van materiaal in, uit en in het lichaam (voedsel in het maagdarmkanaal)
- Hebben andere functies afhankelijk van waar ze zitten
Dwarsgestreepte spieren
afwisseling donkere en
lichte banden
Minder georganiseerde
rangschikking van
samentrekkende vezels
geen banden
1
,Skeletspieren → 1 niveau van controle
- Signaal nodig van somatisch motorneuron
- Geen initiatie eigen samentrekking
- Geen invloed hormonen op samentrekking
- Onze bewuste keuze, ze gaan niet uit het niets/random/spontaan beginnen contraheren
Cardiale en gladde spieren → meerdere controleniveaus
- Primair: autonome innervatie (geen controle)
- Soms: spontaan (zonder signalen CZS)
- Modulatie door endocrien systeem (activiteit van het hart en sommige gladde spieren zijn hier
onderhevig aan)
Overeenkomsten:
- Signaal om contractie te initiëren = intracellulair Ca2+-signaal
- Myosine gebruikt energie (ATP) → conformatie → beweging te veranderen
Zonder ATP of Ca2+ = geen contractie
SKELETSPIER
KENMERKEN
- Bulk van spieren in het lichaam ~40% lichaamsgewicht
- Kunnen skelet positioneren en verplaatsen
- Bevestigd aan botten door pezen gemaakt van collageen
- Oorsprong t: het dichtst bij de romp of stilstaand bot
- Insertie: meer distaal
Hoe meer skeletspieren hoe meer ATP we kunnen verbruiken hoe meer suikers we kunnen
verbranden
- Flexoren → flexie in het gewricht
- Extensoren → extensie in het gewricht
- Flexie-extensieparen (hetzelfde gewricht) →
antagonistische spiergroepen
o Antagonisten trekken samen voor stabiliteit van
het gewricht
Spiercontractie kan aan een bot trekken, maar niet duwen
2
,SPIERVEZELS
- Skeletspiervezel: lange, cilindrische 'cel' met kernen aan de oppervlakte
- Grootste 'cellen' in het lichaam door fusie van vele stamcellen (=satellietcellen)
→ stamcelfusie myofiber
- Functie:
o Ontwikkeling
o Letsel en herstel
Doorsnede:
- Donkere puntjes = celkernen meerdere kernen per spiervezel
HERSTELLEND VERMOGEN VAN SKELETSPIEREN
Skeletspiervezels
- Post-mitotische cellen: geen vermogen meer om zich te delen (eenmaal gedifferentieerd)
= eens je een spiervezel bent kan je niet meer delen
- Stamcellen (=satelietcellen)
= cellen die nog moeten en kunnen differentiëren. Worden actief en differentiëren zicht tot spieren
wanneer dat nodig is voor spiergroei- of herstel.
Bij spierblessure → robuuste regeneratieve respons → satellietcellen
vb. lang verblijf in ziekenhuis spiervezels sterven af gelukkig hebben we stamcellen (=
satelietcellen) die nieuwe spiervezels kunnen vormen belangrijke taak bij herstel en bij groei
STRUCTUUR VAN SKELETSPIEREN
Vezels:
- Parallel georganiseerd
- Gerangschikt in spierfascikels/spierbundels (via
bindweefsel) 1 bundel bestaat uit meerdere
spiervezels
- Tussen de fascikels/bundels
o Collageen
o Elastische vezels
o Bloedvaten
- De gehele spier → omgeven met bindweefselomhulsel (collageenrijke structuur)
o Doorlopend met bindweefsel rond myovezels & fascikels & met pezen
o Gaat over in de pees
3
, ANATOMIE VAN DE SPIERVEZELS
Spiervezels = zijn niet echt cellen => alle cellen in ons lichaam hebben 1 kern & spiervezels hebben meerder
kernen daarom andere naamgeving
- Sarcolemma: celmembraan
- Sarcoplasma: cytoplasma
- Myofibrillen: sterk georganiseerde bundels van samentrekkende en elastische eiwitten
o Uitvoeren van contractie
o Belangrijkste intracellulaire structuren
- Sarcoplasmatisch reticulum: gemodificeerd ER rond elke myofibril
o Bestaat uit longitudinale tubuli met vergrote eindgebieden (= terminae cisternae)
o Ca2+-ATPase in SR-membraan → concentreert en sekwestreert Ca2+-contractie
Vrijgeven en opnemen van Ca2+ speelt een sleutelrol bij de contractie van alle
soorten spieren
- Triade = 1 t-tubulus + 2 terminale cisternae
- Terminale cisternae (SR): grenzen aan en zijn nauw
verbonden met vertakkend netwerk van transversale
tubuli (= t-tubuli = ingeleiding van AP)
- Membranen van t-tubuli = voortzetting van sarcolemma (= spiervezelmembraan)
o → waardoor het lumen van T-tubuli continu gevuld met extracellulaire vloeistof
4