Biologie samenvatting H5
Evenwicht
Paragraaf 5.1: evenwicht in een organisme
Stress ontstaat in het lichaam als systemen in het lichaam uit hun evenwicht worden
gebracht. Al onze lichaamssystemen hebben een standaardwaarde waarop ze zijn
ingesteld. Centra van de systemen (bijvoorbeeld ademhalings- of temperatuurregeling)
liggen in de hersenen.
Na inspanning zorgen regelsystemen dat de stress uit het organisme verdwijnt.
Een stabiel evenwicht vereist veel energie om verstoord te worden. Een labiel evenwicht
vereist weinig energie om het evenwicht te verstoren. In organismen zijn evenwichten
labiel en dynamisch (er treden immers voortdurend verandering op). Weerstand is de
moeite die wordt genomen om een verandering te voorkomen. Veerkracht is de kunde
van een systeem om terug naar de evenwichtstand te keren.
Constante lichaamstemperatuur houden (grote weerstand, kleine veerkracht) vereist veel
energie. Poikilotherme organismen (weerstand klein, veerkracht groot) zijn niet optimaal
actief, maar hebben daarom ook minder voedsel nodig.
Paragraaf 5.2: evenwicht in een orgaan
De lever krijgt via de poortader voortdurend allerlei stoffen in verschillende concentraties
op zich afgestuurd. Als de glucose in het bloed daalt, kan de lever door de omzetting van
glycogeen in glucose dele daling verminderen. In de lever is er dus een evenwicht tussen
glycogeen en glucose.
Bij portale hypertensie heerst een hoge bloeddruk in de vertakkingen van de poortader
door een toename in bloedvolume of door een verhoogde weerstand die het bloed in de
lever ondervindt. Ook kan levercirrose (levercellen zijn beschadigd en vervangen door
vetcellen) portale hypertensie veroorzaken. Mogelijk kunnen aders vormen door portale
hypertensie die in de bloedsomloop de lever ''buitensluiten'' (buiten de lever om de
bloedcirculatie sluiten) (slokdarmspataders).
De huid is betrokken bij de regeling van het vetgehalte in het bloed. Als men meer eet dan
nodig is, wordt het overschot opgeslagen in glycogeen. Als het maximale glycogeengehalte
is bereikt, wordt glucose omgezet in vet. Om te voorkomen dat de opslag vet te groot
wordt, geven vetcellen leptine af. Leptine bederft de eetlust.
Paragraaf 5.3: evenwicht in een cel
Ook in cellen zijn evenwichten (pH, watergehalte, [CO2], [O2], …). Buffers houden pH
constant in de cellen. Concentratie O2 in de cel wordt bepaald door het evenwicht tussen
Evenwicht
Paragraaf 5.1: evenwicht in een organisme
Stress ontstaat in het lichaam als systemen in het lichaam uit hun evenwicht worden
gebracht. Al onze lichaamssystemen hebben een standaardwaarde waarop ze zijn
ingesteld. Centra van de systemen (bijvoorbeeld ademhalings- of temperatuurregeling)
liggen in de hersenen.
Na inspanning zorgen regelsystemen dat de stress uit het organisme verdwijnt.
Een stabiel evenwicht vereist veel energie om verstoord te worden. Een labiel evenwicht
vereist weinig energie om het evenwicht te verstoren. In organismen zijn evenwichten
labiel en dynamisch (er treden immers voortdurend verandering op). Weerstand is de
moeite die wordt genomen om een verandering te voorkomen. Veerkracht is de kunde
van een systeem om terug naar de evenwichtstand te keren.
Constante lichaamstemperatuur houden (grote weerstand, kleine veerkracht) vereist veel
energie. Poikilotherme organismen (weerstand klein, veerkracht groot) zijn niet optimaal
actief, maar hebben daarom ook minder voedsel nodig.
Paragraaf 5.2: evenwicht in een orgaan
De lever krijgt via de poortader voortdurend allerlei stoffen in verschillende concentraties
op zich afgestuurd. Als de glucose in het bloed daalt, kan de lever door de omzetting van
glycogeen in glucose dele daling verminderen. In de lever is er dus een evenwicht tussen
glycogeen en glucose.
Bij portale hypertensie heerst een hoge bloeddruk in de vertakkingen van de poortader
door een toename in bloedvolume of door een verhoogde weerstand die het bloed in de
lever ondervindt. Ook kan levercirrose (levercellen zijn beschadigd en vervangen door
vetcellen) portale hypertensie veroorzaken. Mogelijk kunnen aders vormen door portale
hypertensie die in de bloedsomloop de lever ''buitensluiten'' (buiten de lever om de
bloedcirculatie sluiten) (slokdarmspataders).
De huid is betrokken bij de regeling van het vetgehalte in het bloed. Als men meer eet dan
nodig is, wordt het overschot opgeslagen in glycogeen. Als het maximale glycogeengehalte
is bereikt, wordt glucose omgezet in vet. Om te voorkomen dat de opslag vet te groot
wordt, geven vetcellen leptine af. Leptine bederft de eetlust.
Paragraaf 5.3: evenwicht in een cel
Ook in cellen zijn evenwichten (pH, watergehalte, [CO2], [O2], …). Buffers houden pH
constant in de cellen. Concentratie O2 in de cel wordt bepaald door het evenwicht tussen