Hoorcollege 1: Introductie
● Politieke psychologie: Een actor-specifieke benadering om politieke fenomenen te
bestuderen, waarbij psychologisch concepten en theorieën gebruikt worden om
politiek gedrag te verklaren.
Hoorcollege 2: Kiesgedrag
● Politieke socialisatie: Het proces waarbij individuen politieke kennis, attitudes en
waarden ontwikkelen.
○ Persistence model: Stelt dat politieke oriëntaties vroeg in het leven worden
gevormd en relatief stabiel blijven.
○ Impressionable years model: Benadrukt de formatieve invloed van
adolescentie en vroege volwassenheid op politieke attitudes.
○ Lifelong openness model: Stelt dat individuen open blijven staan voor
politieke verandering gedurende hun hele leven.
○ Life cycle model: Suggereert dat politieke attitudes veranderen naarmate
individuen ouder worden en verschillende levensfasen doorlopen.
● Ideologie: Een samenhangende structuur van attitudes en overtuigingen (en
waarden).
○ Michigan School: Stelt dat de attitudes van kiezers ten aanzien van
kandidaten, thema's en partijen geclusterd zijn met elkaar en met een zekere
ideologie.
● Politieke kennis: Kennis over politiek, die nodig is om een 'goed' burger te zijn.
○ Knowledge gap: Beschrijft de kloof in politieke kennis tussen mensen met
een hoger en lager opleidingsniveau.
● Heuristics (mentale shortcuts): Mentale snelkoppelingen die mensen gebruiken
om beslissingen te nemen, zoals bij het verwerken van politieke informatie.
○ Gresham’s law of political information: Stelt dat negatieve informatie de
positieve informatie verdringt in de publieke opinie.
○ Drunkard’s search: Beschrijft hoe mensen zoeken naar informatie op de
meest toegankelijke plaats, in plaats van op de meest relevante plaats.
● Issue framing: Het presenteren van een issue op een manier die bepaalde aspecten
benadrukt en anderen negeert, wat de publieke opinie kan beïnvloeden.
● Emoties: Gevoelens die van invloed kunnen zijn op politieke attitudes en gedrag,
zoals angst en enthousiasme.
○ Affective intelligence theory: Stelt dat emoties zoals angst en
enthousiasme de manier beïnvloeden waarop mensen politieke informatie
verwerken.
● Modellen om kiesgedrag te voorspellen:
○ Rational choice model: Gaat ervan uit dat kiezers rationele afwegingen
maken op basis van hun eigenbelang.
○ Confirmatory decision making: Suggereert dat kiezers selectief informatie
zoeken die hun bestaande voorkeuren bevestigt.
○ Fast & Frugal decision making: Benadrukt de rol van snelle en eenvoudige
heuristieken bij het maken van keuzes.
, ○ Semi-automatic intuitive decision making: Combineert elementen van
rationele en intuïtieve besluitvorming.
○ Issue-voting: Stemmen op basis van standpunten over specifieke politieke
kwesties.
○ Issue-ownership: Het idee dat politieke partijen 'eigenaar' zijn van bepaalde
kwesties en kiezers aantrekken die die kwesties belangrijk vinden.
○ Retrospectief stemgedrag: Kiezers beoordelen de prestaties van de
zittende regering en stemmen op basis daarvan.
○ Strategisch stemgedrag: Kiezers stemmen niet per se op hun favoriete
partij of kandidaat, maar op de partij of kandidaat met de grootste kans om te
winnen.
○ Personalisering: De toenemende focus op individuele politici in plaats van
op partijen of ideologieën.
Hoorcollege 3: Media
● Politieke communicatie: Doelgerichte communicatie over politiek.
● Agenda setting: De invloed van de media op de onderwerpen die mensen belangrijk
vinden.
● Priming: De media beinvloeden de criteria die mensen gebruiken om politieke
kwesties en kandidaten te beoordelen.
● Framing: Het presenteren van een issue op een manier die bepaalde aspecten
benadrukt en anderen negeert.
Hoorcollege 4: Persoonlijkheid & Cognitie
● Persoonlijkheid: Unieke, centrale en stabiele kenmerken van een individu.
○ Trait theories (kenmerktheorieën): Richten zich op stabiele
persoonlijkheidskenmerken (traits) die individuen van elkaar onderscheiden.
■ The Big Five: Een model dat persoonlijkheid beschrijft aan de hand
van vijf brede dimensies: extraversie, vriendelijkheid,
consciëntieusheid, neuroticisme en openheid voor ervaringen.
○ Motive theories (motivatietheorieën): Benadrukken de rol van motieven en
doelen bij het sturen van gedrag.
■ The Big Three: Drie basismotieven die menselijk gedrag
beïnvloeden: achievement (prestatie), power (macht) en affiliation
(verbondenheid).
● Authoritarian personality: Een persoonlijkheidstype gekenmerkt door autoritaire
attitudes, onderdanigheid aan autoriteit en vijandigheid tegenover out-groepen.
○ Adorno (1950): Psycho-analytische benadering van de autoritaire
persoonlijkheid, die de wortels zoekt in de vroege kindertijd.
○ Altemeyer (1981): Trait theory benadering van de autoritaire persoonlijkheid,
die zich richt op meetbare persoonlijkheidskenmerken.
● Cognitie: Alle psychologische processen die te maken hebben met het verwerven,
ordenen en gebruiken van informatie en kennis.
● Cognitieve bias: Systematische fouten in denken die voortkomen uit de manier
waarop we informatie verwerken.
● Politieke psychologie: Een actor-specifieke benadering om politieke fenomenen te
bestuderen, waarbij psychologisch concepten en theorieën gebruikt worden om
politiek gedrag te verklaren.
Hoorcollege 2: Kiesgedrag
● Politieke socialisatie: Het proces waarbij individuen politieke kennis, attitudes en
waarden ontwikkelen.
○ Persistence model: Stelt dat politieke oriëntaties vroeg in het leven worden
gevormd en relatief stabiel blijven.
○ Impressionable years model: Benadrukt de formatieve invloed van
adolescentie en vroege volwassenheid op politieke attitudes.
○ Lifelong openness model: Stelt dat individuen open blijven staan voor
politieke verandering gedurende hun hele leven.
○ Life cycle model: Suggereert dat politieke attitudes veranderen naarmate
individuen ouder worden en verschillende levensfasen doorlopen.
● Ideologie: Een samenhangende structuur van attitudes en overtuigingen (en
waarden).
○ Michigan School: Stelt dat de attitudes van kiezers ten aanzien van
kandidaten, thema's en partijen geclusterd zijn met elkaar en met een zekere
ideologie.
● Politieke kennis: Kennis over politiek, die nodig is om een 'goed' burger te zijn.
○ Knowledge gap: Beschrijft de kloof in politieke kennis tussen mensen met
een hoger en lager opleidingsniveau.
● Heuristics (mentale shortcuts): Mentale snelkoppelingen die mensen gebruiken
om beslissingen te nemen, zoals bij het verwerken van politieke informatie.
○ Gresham’s law of political information: Stelt dat negatieve informatie de
positieve informatie verdringt in de publieke opinie.
○ Drunkard’s search: Beschrijft hoe mensen zoeken naar informatie op de
meest toegankelijke plaats, in plaats van op de meest relevante plaats.
● Issue framing: Het presenteren van een issue op een manier die bepaalde aspecten
benadrukt en anderen negeert, wat de publieke opinie kan beïnvloeden.
● Emoties: Gevoelens die van invloed kunnen zijn op politieke attitudes en gedrag,
zoals angst en enthousiasme.
○ Affective intelligence theory: Stelt dat emoties zoals angst en
enthousiasme de manier beïnvloeden waarop mensen politieke informatie
verwerken.
● Modellen om kiesgedrag te voorspellen:
○ Rational choice model: Gaat ervan uit dat kiezers rationele afwegingen
maken op basis van hun eigenbelang.
○ Confirmatory decision making: Suggereert dat kiezers selectief informatie
zoeken die hun bestaande voorkeuren bevestigt.
○ Fast & Frugal decision making: Benadrukt de rol van snelle en eenvoudige
heuristieken bij het maken van keuzes.
, ○ Semi-automatic intuitive decision making: Combineert elementen van
rationele en intuïtieve besluitvorming.
○ Issue-voting: Stemmen op basis van standpunten over specifieke politieke
kwesties.
○ Issue-ownership: Het idee dat politieke partijen 'eigenaar' zijn van bepaalde
kwesties en kiezers aantrekken die die kwesties belangrijk vinden.
○ Retrospectief stemgedrag: Kiezers beoordelen de prestaties van de
zittende regering en stemmen op basis daarvan.
○ Strategisch stemgedrag: Kiezers stemmen niet per se op hun favoriete
partij of kandidaat, maar op de partij of kandidaat met de grootste kans om te
winnen.
○ Personalisering: De toenemende focus op individuele politici in plaats van
op partijen of ideologieën.
Hoorcollege 3: Media
● Politieke communicatie: Doelgerichte communicatie over politiek.
● Agenda setting: De invloed van de media op de onderwerpen die mensen belangrijk
vinden.
● Priming: De media beinvloeden de criteria die mensen gebruiken om politieke
kwesties en kandidaten te beoordelen.
● Framing: Het presenteren van een issue op een manier die bepaalde aspecten
benadrukt en anderen negeert.
Hoorcollege 4: Persoonlijkheid & Cognitie
● Persoonlijkheid: Unieke, centrale en stabiele kenmerken van een individu.
○ Trait theories (kenmerktheorieën): Richten zich op stabiele
persoonlijkheidskenmerken (traits) die individuen van elkaar onderscheiden.
■ The Big Five: Een model dat persoonlijkheid beschrijft aan de hand
van vijf brede dimensies: extraversie, vriendelijkheid,
consciëntieusheid, neuroticisme en openheid voor ervaringen.
○ Motive theories (motivatietheorieën): Benadrukken de rol van motieven en
doelen bij het sturen van gedrag.
■ The Big Three: Drie basismotieven die menselijk gedrag
beïnvloeden: achievement (prestatie), power (macht) en affiliation
(verbondenheid).
● Authoritarian personality: Een persoonlijkheidstype gekenmerkt door autoritaire
attitudes, onderdanigheid aan autoriteit en vijandigheid tegenover out-groepen.
○ Adorno (1950): Psycho-analytische benadering van de autoritaire
persoonlijkheid, die de wortels zoekt in de vroege kindertijd.
○ Altemeyer (1981): Trait theory benadering van de autoritaire persoonlijkheid,
die zich richt op meetbare persoonlijkheidskenmerken.
● Cognitie: Alle psychologische processen die te maken hebben met het verwerven,
ordenen en gebruiken van informatie en kennis.
● Cognitieve bias: Systematische fouten in denken die voortkomen uit de manier
waarop we informatie verwerken.