DEEL 2
Les 4: Prelinguale fase van de taalontwikkeling
Handboek p. 77-102
TAALONTWIKKELING: schema Zink & Smessaert, 2009
Aangeboren taalvermogen (capaciteiten van een kind)
- = taalaanleg – bij ene kind groter dan bij andere – grootte
is individueel verschillend
- = alle anatomische en neurologische vermogens van het
kind (sensori-motorisch, cognitief, sociaal-emotioneel)
- + neurologische rijpingsprocessen die ons in staat stellen
om te leren
- = verschillende delen in de hersenen zijn verantwoordelijk
voor de taalontwikkeling
- = is cruciaal, maar op zich onvoldoende om tot goede taalontwikkeling te komen -> daarvoor
aangepast taalaanbod nodig
- Pijl in 1 richting: aangeboren taalvermogen is individueel verschillend en beïnvloedt de
taalontwikkeling
Aangepast taalaanbod = komt vanuit de omgeving – ouders, school, andere betrokkenen, externe
stimuli
- Bv: kind dat opgroeit in NL omgeving zal NL leren – idem met FR – of combinatie van NL en
FR
- Pijl in 2 richtingen: wederzijdse beïnvloeding bv: gezin waarin veel voorgelezen wordt +
kwaliteitsvolle taal aangeboden wordt grotere kans op goede taalontwikkeling cf weinig grotere kans op goede taalontwikkeling cf weinig
aanbod
- Kind met goede taalontwikkeling zal veel taalaanbod vragen bv vragen (wat, waarom,…)
stellen, betekenissen van woorden vragen, … wat op zijn beurt weer leidt tot sterkere
taalontwikkeling en vice versa met zwakke taalontwikkeling
Wat gebeurt er in de prelinguale periode?
Pre-linguaal = voor-talig
- Periode van 0-12 maanden
- Kind ‘spreekt’ nog niet
o Kind gebruik nog geen klankgroepen – conventionele taaltekens
o Tijdens eerste 12m wordt basis gelegd naar taal en communicatie toe: taal =
linguïstische kenmerken; communicatie is breder dan taal alleen (p. 78)
o Super belangrijk voor de taalontwikkeling, als het kind in deze fase geen taal
aangeboren krijgt hebben we een groot probleem
- Basis voor taal en communicatie
Van taal naar communicatie
,Menselijke communicatie = het uitwisselen van signalen tussen minstens 2 personen (reeds voor de
geboorte)
Communicatie = baby maakt kreun en zuchtgeluidjes, zonder concrete betekenis
Taal = baby maakt geluidjes, mama reageert op de geluidjes door boven het wiegje te hangen met
een glimlach, vanaf mama uit het gezichtsveld verdwijnt, maakt baby terug dezelfde geluidjes
(=interactie)
Signalen zijn auditieve signalen, als het geboren wordt wel wat meer
Taal = signalen krijgen de vorm van symbolen, symbolen met betekenis
Relatie tussen symbool en betekenis = arbitrair (willekeurig)
Vb. stoel, chair, chaise verschillende symbolen, zelfde betekenis
Vb. ein tafel = een schoolbord zelfde symbool (tafel), verschillende betekenis
Rol van de taal = belangrijk binnen symbolisch taalgebruik
Signalen staan (vaak) los van de taal: vb. signaal = geluid brandalerm, symbool = een brandalarm, une
alarme incendie, a fire alarm,…, betekenis = het brandt/er is rook
Pierce plaatst tussen signalen en symbolen nog iconen (= verwijzen op een bepaalde manier naar de
betekenis (cf gebarentaal), vb. baby, eten, lawaai, warm, koud lijkt op gebarentaal, maar is geen
gebarentaal
Iconen in gesproken taal zijn schaars: woefwoep = hond, tuut-tuut = wekker (hond en wekker zijn
symbolen)
Onomatopeeën = klanknabootsing opstapje naar het (abstracte) symbool, in schrift noteren welk
geluid je gehoord hebt (p.79)
Verschillende aspecten, verschillende periodisering
THEORETISCH KADER
Taalbegrip: wat begrijp ik allemaal van taal, maar kan het
misschien zelf nog niet zeggen
Semantiek: als je nog niet echt begrijpt dat een appel en
een peer allebei fruit zijn, linken leggen met andere
woorden en betekenissen
Pragmatiek: vb, publiek aankijken als je een presentatie
geeft, de manier waarop je communiceert, vb, je zegt dag
als je iemand begroet
Metalinguïstisch bewustzijn: kind kan nadenken over taal, gaat ook mopjes begrijpen, gaat linken
zeggen tussen vb. de zoo en de dierentuin, wat hetzelfde is en dan gaan ze ook allebei de woorden
gaan gebruiken
Communicatieve ontwikkeling én linguïstische
ontwikkeling in eerste levensjaar, passief > actief
(zie onderste deel: prelinguale periode)
,Link met linguïstiek
Verschillende aspecten met elkaar in verbinding:
Bv terwijl een kind leert kruipen (= motorisch),
zien we eerste brabbels (=taal) verschijnen, kind
zal kruipen (=motorisch) om wereld rondom zich
te leren kennen (=psychosociaal)
3 biologische ontwikkelingsprincipes van
taalverwerving:
- Elk ontwikkelend organisme evolueert naar grotere differentiatie
- Elk niveau van differentiatie bouwt verder op het vorige niveau
- Ondanks individuele kwantitatieve verschillen blijft de sequentie steeds dezelfde
- (Oefenen, blijven proberen, herhalen gaat her organisme dat beter en beter kunnen, je
moet stap A beheersen voor je B kan, eerst stappen en dan lopen, elk kind evolueert op zijn
eigen niveau, wel in dezelfde volgorde)
4 fasen (Schaerlaekens, 2016):
- Vocaliseren: geluidjes maken
- Vocaal spel: vanaf hier begint het DIVA-model
o Luisterontwikkeling
Huilen/schreien en de vroege
luisterontwikkeling (0-6 weken)
Huilen/schreien = opvallendste vocale productie
Luisterontwikkeling = minder opvallend, wordt reeds voor de geboorte ingezet
Interactieve ontwikkeling = interactie tussen ouder en kind
Prenatale en vroege luisterontwikkeling
W. D’haenens
Vocale productie en interactieve ontwikkeling
Huilen = belangrijk communicatiesignaal voor ouders
‘Huiltypes’ herkennen?
Intersubjectieve betrokkenheid: wederzijds aanpassen tussen baby en ouder (wenen – troosten)
Ouder en kind in a-interactie via taal en geluid
Nauwe fysieke nabijheid van elkaar
- Vb. voeden, verzorgen, vasthouden
Multisensoriële dialoog
- Vb. beurtwisseling tijdens voeden, verzorgen
HUILEN/SCHREIEN/LUISTEREN
, (zie tabel)
Vocaliseren (6 weken – 4 maanden)
Baby wordt veelzijdiger in motorische en sociale ontwikkeling vb. sociale glimlach
De verdere luisterontwikkeling
W. D’haenens
VOCALISEREN – LUISTERONTWIKKELING
Luisteren = selectief – voorkeur = spraakgeluid
Hoe reactie onderzoeken?
audiometrie: reactiepatroon registreren van systematische reflexen (reflexen bij
geluidstimuli) vb. oogknipperen, reacties hartslag
Zuigreflexmethode: luistercapaciteiten meten (Emias, 1971)
- Onderzoekt of baby’s verschil horen tussen fonemen, woorden en zinnen
- Fopspeen registreert veranderingen in zuigkracht nieuwe geluiden = heftig zuigen =
sucking paradigma
- Resultaten:
o 2m: discriminatie van klinkers
bv: pip – pop – pap
o 2m: klinkers door verschillende personen herkennen als dezelfde klinker
o 2m: lettergrepen waarnemen als 1 geheel, geen verzameling losse klanken
o 4m: discriminatie ts SH en SL van plofklanken
bv: pa – ba
Hoe ordenen kinderen het gevarieerde aanbod aan geluid en taal?
- Dagelijkse taalaanbod maakt receptieve taalverwerving gemakkelijker
- Warme emotionele klimaat = belangrijke voorwaarde
- Teveel betekenisloos geluid vertraagt de lusterontwikkeling
Evolutie in de interactie
Expansieve ontwikkeling in visuele waarneming
2 maanden: met ogen volgen wat ze zien, blik fixeren of ‘kiezen’ of ze naar iets willen kijken of niet
Voorkeur voor bewegende gezichten
Visuele fixatie omgeving ontdekken + reageren op het met een glimlach
Gezicht van mama of papa zoeken ouders reageren sociale glimlach
Communicatieve interactie is ingezet – dynamische communicatie en wederzijdse imitatie
Vb. oogcontact, mimiek, gebaren, aanraken via reuk en smaak
Bij de communicatieve interactie gaat ouder spreken taalaanbod nadrukkelijk aanwezig
Taalaanbodaanvoer vergroot want baby is meer wakker