WEEK 7 RECHTERLIJKE CONTROLE EN RECHTSMIDDELEN
Inleiding
We sluiten het vak Formeel strafrecht af met het onderwerp van “rechterlijke controle”. Dit
onderwerp valt uiteen in controle door de rechter en controle op de rechter. Met de controle
door de rechter bedoelen we met name de controlerende functie van de rechter op het
voorbereidend onderzoek. Indien sprake is van onregelmatigheden (bijv. drugs zijn
aangetroffen bij een doorzoeking van een woning door een onbevoegde
opsporingsambtenaar) tijdens het vooronderzoek kan dit consequenties hebben voor het
verdere verloop van de strafzaak. Aan de hand van het toetsingskader van artikel 359a van
het Wetboek van Strafvordering bepaalt de rechter of en in hoeverre hij gevolgen zal
verbinden aan deze vormverzuimen. Of sprake is van een onregelmatigheid (verzuim van
vormen) in het vooronderzoek wordt niet alleen onderzocht aan de hand van de nationale
wettelijke voorschriften, maar mede bepaald door de (ongeschreven) beginselen van een
behoorlijke procesorde en artikel 6 EVRM.
De controle op de strafrechter vindt niet plaats door een andere “macht”. De rechter is
onafhankelijk en kan –zo is de algemene opvatting- niet door een andere macht
gecontroleerd worden. Wel is sprake van een rechterlijke hiërarchie en worden lagere
rechters gecontroleerd door hogere rechtscolleges. Die controle vindt plaats via de
aanwending van gewone of buitengewone rechtsmiddelen. Wij bespreken met name de
gewone rechtsmiddelen, hoger beroep en cassatie, waarbij het initiatief tot het instellen van
een rechtsmiddel ligt bij één van de procespartijen, de officier van justitie dan wel de
verdachte. Tenslotte wordt ook enige aandacht besteed aan de buitengewone
rechtsmiddelen herziening en cassatie in het belang der wet.
Het bespreken van de rechtsmiddelen is niet compleet zonder het noemen van het Europese
Hof voor de rechten van de mens (EHRM). Dit hof waakt over een juiste naleving van het
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
(EVRM). Staten die zich bij het verdrag hebben aangesloten hebben zich verplicht de
bepalingen uit dit Verdrag na te leven. Nationale wetgeving mag dan ook niet strijdig zijn met
het verdrag. Een aantal bepalingen van het EVRM werkt rechtstreeks door in onze
rechtsorde. Dit betekent dat een verdachte in een strafprocedure zich op die bepalingen kan
beroepen en dat de nationale rechter deze bepalingen moet toepassen.
Literatuur
Capita Strafrecht, P.A.M. Mevis:
Bestuderen: hoofdstuk 13 (pag. 631 – 679)
Leerdoelen
Na bestudering van dit onderwerp kan de student:
toelichten op welke wijze de rechter, aan de hand van de wet, verdrag en beginselen van
een behoorlijk proces, controle uitoefent op het voorbereidend onderzoek;
aan de hand van een casus – mede op basis van artikel 359a Sv en de bestudeerde
jurisprudentie – beredeneren of vormen zijn verzuimd in het voorbereidend onderzoek en
beargumenteren of de rechter daar rechtsgevolgen aan dient te verbinden en zo ja welke
rechtsgevolgen;
het karakter en de doelen van de verschillende gewone en buitengewone rechtsmiddelen
toelichten, de term “voortbouwend appel” uitleggen, mede aan de hand van de relevante
artikelen uit het Wetboek van Strafvordering;
de wettelijke regeling met betrekking tot hoger beroep en cassatie interpreteren,
toepassen op een casus en beargumenteren of in een casus aan die regels wordt
voldaan;
uitleggen op welke wijze het EVRM-verdrag invloed heeft op onze nationale
strafprocedure.
, Opdrachten
Opdracht 1
Lees onderstaande uitspraak.
Uitspraak
parketnummer: 23-001575-13
datum uitspraak: 27 januari 2015
TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het
vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 20 maart 2013 in de strafzaak onder
parketnummer 15-740827-12 tegen
[verdachte][verdachte]
geboren te [geboorteplaats]op [geboortedatum] 1966,
adres:[adres] Purmerend.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
13 januari 2015, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek
van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen
door de raadsman naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 september 2011 tot en met
13 september 2012 te Purmerend, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk heeft
verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal
bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende
cocaïne en/of een hoeveelheid XTC/MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine), in elk geval
opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, en/
of drie, althans een hoeveelheid tablet(ten) XTC/MDMA, zijnde die heroïne en/of cocaïne en/of
XTC/MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze
verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een ander oordeel komt
ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de zaak daarom zal
terugwijzen naar de rechtbank.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De rechtbank Noord-Holland heeft bij vonnis van 20 maart 2013 het Openbaar Ministerie niet-
ontvankelijk verklaard in de vervolging, omdat naar het oordeel van de rechtbank in het
Inleiding
We sluiten het vak Formeel strafrecht af met het onderwerp van “rechterlijke controle”. Dit
onderwerp valt uiteen in controle door de rechter en controle op de rechter. Met de controle
door de rechter bedoelen we met name de controlerende functie van de rechter op het
voorbereidend onderzoek. Indien sprake is van onregelmatigheden (bijv. drugs zijn
aangetroffen bij een doorzoeking van een woning door een onbevoegde
opsporingsambtenaar) tijdens het vooronderzoek kan dit consequenties hebben voor het
verdere verloop van de strafzaak. Aan de hand van het toetsingskader van artikel 359a van
het Wetboek van Strafvordering bepaalt de rechter of en in hoeverre hij gevolgen zal
verbinden aan deze vormverzuimen. Of sprake is van een onregelmatigheid (verzuim van
vormen) in het vooronderzoek wordt niet alleen onderzocht aan de hand van de nationale
wettelijke voorschriften, maar mede bepaald door de (ongeschreven) beginselen van een
behoorlijke procesorde en artikel 6 EVRM.
De controle op de strafrechter vindt niet plaats door een andere “macht”. De rechter is
onafhankelijk en kan –zo is de algemene opvatting- niet door een andere macht
gecontroleerd worden. Wel is sprake van een rechterlijke hiërarchie en worden lagere
rechters gecontroleerd door hogere rechtscolleges. Die controle vindt plaats via de
aanwending van gewone of buitengewone rechtsmiddelen. Wij bespreken met name de
gewone rechtsmiddelen, hoger beroep en cassatie, waarbij het initiatief tot het instellen van
een rechtsmiddel ligt bij één van de procespartijen, de officier van justitie dan wel de
verdachte. Tenslotte wordt ook enige aandacht besteed aan de buitengewone
rechtsmiddelen herziening en cassatie in het belang der wet.
Het bespreken van de rechtsmiddelen is niet compleet zonder het noemen van het Europese
Hof voor de rechten van de mens (EHRM). Dit hof waakt over een juiste naleving van het
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
(EVRM). Staten die zich bij het verdrag hebben aangesloten hebben zich verplicht de
bepalingen uit dit Verdrag na te leven. Nationale wetgeving mag dan ook niet strijdig zijn met
het verdrag. Een aantal bepalingen van het EVRM werkt rechtstreeks door in onze
rechtsorde. Dit betekent dat een verdachte in een strafprocedure zich op die bepalingen kan
beroepen en dat de nationale rechter deze bepalingen moet toepassen.
Literatuur
Capita Strafrecht, P.A.M. Mevis:
Bestuderen: hoofdstuk 13 (pag. 631 – 679)
Leerdoelen
Na bestudering van dit onderwerp kan de student:
toelichten op welke wijze de rechter, aan de hand van de wet, verdrag en beginselen van
een behoorlijk proces, controle uitoefent op het voorbereidend onderzoek;
aan de hand van een casus – mede op basis van artikel 359a Sv en de bestudeerde
jurisprudentie – beredeneren of vormen zijn verzuimd in het voorbereidend onderzoek en
beargumenteren of de rechter daar rechtsgevolgen aan dient te verbinden en zo ja welke
rechtsgevolgen;
het karakter en de doelen van de verschillende gewone en buitengewone rechtsmiddelen
toelichten, de term “voortbouwend appel” uitleggen, mede aan de hand van de relevante
artikelen uit het Wetboek van Strafvordering;
de wettelijke regeling met betrekking tot hoger beroep en cassatie interpreteren,
toepassen op een casus en beargumenteren of in een casus aan die regels wordt
voldaan;
uitleggen op welke wijze het EVRM-verdrag invloed heeft op onze nationale
strafprocedure.
, Opdrachten
Opdracht 1
Lees onderstaande uitspraak.
Uitspraak
parketnummer: 23-001575-13
datum uitspraak: 27 januari 2015
TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het
vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 20 maart 2013 in de strafzaak onder
parketnummer 15-740827-12 tegen
[verdachte][verdachte]
geboren te [geboorteplaats]op [geboortedatum] 1966,
adres:[adres] Purmerend.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
13 januari 2015, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek
van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen
door de raadsman naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 september 2011 tot en met
13 september 2012 te Purmerend, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk heeft
verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal
bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende
cocaïne en/of een hoeveelheid XTC/MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine), in elk geval
opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, en/
of drie, althans een hoeveelheid tablet(ten) XTC/MDMA, zijnde die heroïne en/of cocaïne en/of
XTC/MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze
verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een ander oordeel komt
ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de zaak daarom zal
terugwijzen naar de rechtbank.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De rechtbank Noord-Holland heeft bij vonnis van 20 maart 2013 het Openbaar Ministerie niet-
ontvankelijk verklaard in de vervolging, omdat naar het oordeel van de rechtbank in het