College 1
Opkomst volkshuisvesting (tot 1945)
Industrialisatie -> nachtwakersstaat = overheid moest zich zo min mogelijk met de burgers
bemoeien. Huisvesting geen overheidstaak.
Te weinig goedkope woningen
Gevolg: revolutiebouw = inferieure bouwmaterialen, hoog tempo, slechte kwaliteit, slecht
geschoolde arbeiders en bouwfraude, bestaande woningen splitsen
Tussen 1850-1900 grijpt de gegoede burgerij en fabrikanten in. -> 1e cooperatieve
bouwvereniging in 1852. De reden voor deze woningbouwverenigingen op te richten is:
- Sociale bewogenheid van deel van gegoede burgerij
- Eigen belang van fabrikanten, omdat gezonde werknemers harder kunnen werken
- Politieke verschuivingen, arbeidersverenigingen beginnen druk uit te oefenen voor
betere huisvesting
- Angst voor revolutie
- Risico’s volksgezondheid
De Vereeniging ten Behoeve der Arbeidsklasse
Daarnaast wordt er in de periode tussen 1850-1900 te weinig gebouwd voor de behoefte
Woningopzichteressen = ‘voeden’ de burgers op. Netjes en beschaafd leven
1901: Woningwet: Doel is de kwaliteit van de woningen verbeteren en slechte woningen
tegengaan door in de wet enkele zaken te regelen:
, 1. Opstellen bouwvoorschriften (=eisen aan woning)
2. Invoering van een bouwvergunning
3. Gemeenten kregen ook een controlerende taak bij bestaande bouw (‘Bouw- en
woningtoezicht’)
4. Gemeenten moesten bestemmingsplannen gaan opstellen voor de stad
5. Financiële steun voor (sociale) woningbouw voor daartoe aangewezen partijen
Gemeentelijke woningbedrijven
Toegelaten instellingen = bijzonder particulier initiatief die alleen op het gebied
van de volksverhuizing actief mochten zijn -> denk aan een coöperatieve
bouwvereniging
In 1904 -> eerste toegelaten instelling is ingeschreven
In 1906 -> eerste woningwetwoningen worden gebouwd
Verdere uitbreiding van sociale wetten:
In 1916: huurbevriezing (= als de huurprijs van een woning tijdelijk niet verhoogd
mag worden)
In 1918: huurbescherming (= een verhuurder mag een huurder alleen uit de
woning zetten als dit in de wet is geregeld)
Na 1918: huurregelingen ipv huurbevriezing -> meer marktwerking
Voor WO2 verhuur van woningen vooral een zaak van particulieren. Voordelen hiervan zijn:
maandelijkse inkomen en waarde van vastgoed had altijd een stijgende lijn.
Na WO2 veranderd de samenstelling van de woningmarkt: Hoog woningtekort door
vernietiging/groei bevolking. Dus wederopbouw en veel regulering.
Verdere uitbouw van de verzorgingsstaat -> volkshuisvesting werd centraal geregeld
en gefinancierd door de overheid.
3 overheidstaken:
1. (Laten) Bouwen
2. (Laten) Verdelen -> huurwoningdistributie 1947: Woningruimtewet (regeld
huurwoningverdeling in tijd van grote woningnood) als voorloper op de
huisvestingswet 1992: gemeenten verdelen schaarse woningen onder lagere
inkomensgroepen
3. (Laten) Financieren = subsidie bouwkosten en lage huurprijzen (geleide
lonenpoliteik) huurwet 1950: bescherming onredelijke huurprijzen en opzeggen huur
door verhuurder