Ontwikkelingspsychologie H1 t/m H13
Robert S. Feldman
8e editie
,Inhoudsopgave
H1. Inleiding in de ontwikkeling van het kind ............................................................................................... 4
1.1 Een oriëntatie op de ontwikkelingspsychologie .................................................................................... 4
1.2 Kinderen: verleden, heden en toekomst ................................................................................................ 4
H2. Theoretische perspectieven en onderzoek ............................................................................................. 6
2.1 Perspectieven bij het kijken naar kinderen .................................................................................................... 6
2.2 De werkwijze van het wetenschappelijk onderzoek ...................................................................................... 9
2.3 Onderzoeksstrategieën en -problemen........................................................................................................ 10
H3. Het begin van het leven ...................................................................................................................... 11
3.1 Erfelijkheid ................................................................................................................................................... 11
3.2 De interactie tussen erfelijkheid en omgeving ............................................................................................. 12
3.3 Prenatale groei en verandering ................................................................................................................... 13
H4. De geboorte en het pasgeboren kind ................................................................................................... 14
4.1 Geboorte ...................................................................................................................................................... 14
4.2 Complicaties tijdens de geboorte................................................................................................................. 14
4.3 Wat een pasgeboren baby allemaal kan ..................................................................................................... 15
H5. Fysieke ontwikkeling in de babytijd ..................................................................................................... 16
5.1 Groei en ontwikkeling .................................................................................................................................. 16
5.2 De motorische ontwikkeling ........................................................................................................................ 16
5.3 De ontwikkeling van de zintuigen ................................................................................................................ 17
H6. De cognitieve ontwikkeling in de babytijd ........................................................................................... 18
6.1 Cognitieve ontwikkeling volgens Piaget ...................................................................................................... 18
6.2 De informatieverwerkingstheorie van cognitieve ontwikkeling .................................................................. 19
6.3 De wortels van onze taal.............................................................................................................................. 20
H7. De sociaal-emotionele ontwikkeling en de persoonlijkheidsontwikkeling in de babytijd ........................ 22
7.1 De basis van sociaal gedrag ......................................................................................................................... 22
7.2 Relaties aangaan ......................................................................................................................................... 22
7.3 Verschillen tussen baby’s ............................................................................................................................. 23
H8. Fysieke ontwikkeling in peuter- en kleutertijd ..................................................................................... 24
8.1 Fysieke groei................................................................................................................................................. 24
8.2 Motorische ontwikkeling.............................................................................................................................. 24
8.3 Bedreigingen van fysieke groei en motorische ontwikkeling....................................................................... 25
H9. De cognitieve ontwikkeling in de peuter- en kleutertijd ....................................................................... 27
9.1 De intellectuele ontwikkeling ....................................................................................................................... 27
9.2 De taalontwikkeling ..................................................................................................................................... 28
2
, 9.3 De invloed van educatie en opvang ............................................................................................................. 28
9.4 Voorlezen, televisie en digitale media ......................................................................................................... 29
H10. De sociaal-emotionele ontwikkeling en de persoonlijkheidsontwikkeling in de peuter- en kleutertijd .. 30
10.1 Een antwoord op de vraag ‘Wie ben ik?’ ................................................................................................... 30
H11. De fysieke ontwikkeling in de schooltijd ............................................................................................ 33
11.1 Het groeiende lichaam ............................................................................................................................... 33
11.2 Invloeden op de fysieke ontwikkeling ........................................................................................................ 33
11.3 Kinderen met speciale behoeften .............................................................................................................. 34
H12. De cognitieve ontwikkeling in de schooltijd ....................................................................................... 35
12.1 De intellectuele en taalkundige ontwikkeling ............................................................................................ 35
12.2 Intelligentie: het bepalen van individuele sterke punten........................................................................... 36
12.3 Onderwijs: lezen, schrijven en rekenen (en meer) ..................................................................................... 38
H13. De sociaal-emotionele ontwikkeling en de persoonlijkheidsontwikkeling in de schooltijd.................... 39
13.1 De ontwikkeling van het eigen ik ............................................................................................................... 39
13.2 Psychische problemen en gedragsproblemen ........................................................................................... 39
13.3 Relaties: vriendschappen in de schooltijd .................................................................................................. 40
13.4 Het gezin in de schooltijd ........................................................................................................................... 40
3
, H1. Inleiding in de ontwikkeling van het kind
1.1 Een oriëntatie op de ontwikkelingspsychologie
Ontwikkelingspsychologie (= levenslooppsychologie): wetenschappelijke studie naar patronen van groei,
verandering en stabiliteit bij mensen vanaf de conceptie → ouderdom. Nadruk op jaren tot volwassenheid.
Ontwikkelingspsychologen houden zich bezig met groeien, veranderen en stabiliteit.
4 centrale thema’s:
• Fysieke ontwikkeling: invloed lichaam (hersenen, centraal zenuwstelsel, primaire behoeften) op
gedrag;
• Cognitieve ontwikkeling: intellectuele vermogens;
• Sociaal-economische ontwikkeling: sociale relaties/interacties, omgaan met emoties;
• Persoonlijkheidsontwikkeling: duurzame gedragingen, karakter
Ook onderscheid in leeftijdsgroep (gebaseerd op westers onderzoek):
• Prenatale periode
• Babytijd, 0-2 jaar
• Peuter-kleutertijd, 2-6 jaar
• Schooltijd, 6-12 jaar;
• Adolescentie, 12 – 20 jaar
→ sociale constructies = breed geaccepteerd idee over de realiteit maar afhankelijk van maatschappij + cultuur
op dat moment.
Ontwikkelingsspecialisten soms specifieke perioden (westerse gemiddelden):
• Puberteit
• Prepuberteit
• Opkomende volwassenheid (Jeffrey Arnett) = tussenfase adolescentie en volwassenheid.
Cohort = groep mensen die rond dezelfde tijd op dezelfde plek zijn geboren
Normatieve gebeurtenissen: gelden voor de meeste individuen binnen een groep op eenzelfde manier:
• Historisch bepaalde invloed (bijv. vuurwerkramp 2010)
• Leeftijdsgebonden invloed (bijv. bereiken pubertijd)
• Sociaal-culturele invloeden: ethische afkomst, sociale klasse
Niet normatieve gebeurtenissen: specifiek voor een individu.
1.2 Kinderen: verleden, heden en toekomst
Hoe ontwikkelt een individu zich?
• Continue ontwikkeling = ontwikkeling geleidelijk → kwantitatief → vaardigheden veranderen niet in
aard maar in omvang. Bijv. lengte, cognitieve ontwikkeling (in sommige theorieën).
• Discontinue ontwikkeling = aparte stappen/stadia → kwalitatief → gedrag is steeds anders t.o.v.
eerder stadium.
Kritieke periode = specifieke tijd in de ontwikkeling waarin een bepaalde gebeurtenis grootse (onomkeerbare)
gevolgen heeft → aanwezigheid bepaalde omgevingsstimuli noodzakelijk voor normale ontwikkeling/
blootstelling aan bepaalde stimuli = abnormale ontwikkeling.
• Plasticiteit = mate waarin een zich ontwikkelend gedragspatroon of fysieke structuur veranderbaar is.
Dus i.p.v. kritieke periode liever gevoelige perioden = periode waarin een organisme extra ontvankelijk is voor
bepaalde soorten stimuli (niet permanent i.t.t. kritieke periode!).
Nature x nurture debat = discussie over oorsprong van ons gedrag en onze eigenschappen.
Maturatie = proces van het zich geleidelijk ontvouwen van voorbestemde genetische informatie.
4