Hoofdstuk 1 oefentoets
Opgave 0
a) Schrijf het grote schema op dat je hebt geleerd.
Opgave 1
a) De afzet is 420. De omzet (incl. 21% btw) is € 11.566,63. De brutowinst is
€ 15,76 per stuk. Bereken de inkoopprijs.
De inkoopprijs van een stoel is € 25. De brutowinst is 40% van de verkoopprijs.
b) Bereken de verkoopprijs incl. 21% btw van een stoel (dus consumentenprijs).
c) Bij welk brutowinstpercentage van de inkoopprijs is de brutowinst even groot?
Opgave 2
a) Een winkel wil een brutowinst van € 2600 per maand. De producten worden
ingekocht voor €1,30 per stuk. De brutowinstopslag is 250%. Bereken bij
welke afzet het doel van € 2600 brutowinst wordt bereikt?
De winkel heeft de volgende kosten: € 180 aan gas/water/licht per maand, € 30.600
aan loonkosten per jaar en € 160 aan transportkosten per week.
b) Bereken de nettowinst/verlies voor een maand met een brutowinst van € 2600.
Opgave 0
a) Schrijf het grote schema op dat je hebt geleerd.
Opgave 1
a) De afzet is 420. De omzet (incl. 21% btw) is € 11.566,63. De brutowinst is
€ 15,76 per stuk. Bereken de inkoopprijs.
De inkoopprijs van een stoel is € 25. De brutowinst is 40% van de verkoopprijs.
b) Bereken de verkoopprijs incl. 21% btw van een stoel (dus consumentenprijs).
c) Bij welk brutowinstpercentage van de inkoopprijs is de brutowinst even groot?
Opgave 2
a) Een winkel wil een brutowinst van € 2600 per maand. De producten worden
ingekocht voor €1,30 per stuk. De brutowinstopslag is 250%. Bereken bij
welke afzet het doel van € 2600 brutowinst wordt bereikt?
De winkel heeft de volgende kosten: € 180 aan gas/water/licht per maand, € 30.600
aan loonkosten per jaar en € 160 aan transportkosten per week.
b) Bereken de nettowinst/verlies voor een maand met een brutowinst van € 2600.