Leerdoel 1:
Je beschrijft het ontstaan van een zygote en de ontwikkeling van embryo
tot foetus
Bevruchting
● Elke maand ontikkelt zich een eicel (soms twee) in een van beide ovaria
(eierstokken) van een vrouw
● In twee weken tijd groeit de cel van zoń 10 micrometer naar 150 micrometer
● het groeit door opname van voedingsstoffen uit de omringende follikelcellen
● Na de ovulatie (eisprong) komt de eicel, nog omringt door een laag follikels, in de
eileider
● Bij een bevruchting dringt een aantal spermacellen door die laag heen
● de spermacellen bereiken eerst een doorzichtige eiwitlaag rond de eicel, de zona
pelluda
● Enzymen uit de spermacellen breken die laag gedeeltelijk af, waardoor de
spermacellen de eicel kunnen bereiken
● de spermacel die al eerste succesvol contact maakt met het celmembraan van de
eicel, levert zijn kern met DNA af
● Blaasjes in het grondplasma van de eicel geven daarop meteen stoffen af die de
zona pellucida veranderen in een voor andere spermacellen ondoordringbare laag,
het bevruchtingsmembraan
● De kern van de spermacel en de kern van de eicel versmelten met elkaar
● Daarmee is de bevruchting van de eicel afgerond
● Er is een zygote (bevruchte eicel) gevormd.
● Het duurt dan nog zo’n dertig uur voordat de eerste celdeling plaatsvindt
Van zygote tot embryo
● de eerste delingen zijn klievingsdelingen: celdelingen waarbij de dochtercellen niet
groeien
● De cellen blijven allemaal binnen het bevruchtingsmembraan
● Drie dagen na de bevruchting zijn dat er zestien
● na vijf dagen zo’n honderd
● Het klompje cellen is dan een blaasje: blastula
● Trilharen in de eileider vervoeren die naar de baarmoeder.
● Een week na de bevruchting vindt de innesteling plaats
● Het bevruchtingsmembraan barst en de blastula groei het baarmoederslijmvlies in
● Trofoblast: de buitenkant van de blastula
● Uitstulpingen hiervan vormen vlokken, die tussen de cellen van het
baarmoederslijmvlies in groeien.
● Via deze vlokken gaan voedingsstoffen en O2 uit de bloedvaten van het
baarmoederslijmvlies naar de embryoblast.
, ● De embryoblast: een groepje stamcellen, waaruit alle celtypen van het embryo
ontstaan
● Door de voeding en de O2 groeit het embryo.
● Het embryo begint als een platte schijf: de kiemschijf
● Later krijgt het een rondere vorm
● Cellen tussen trofoblast en kiemschijf vormen de hechtsteel, het begin van de
navelstreng
● Aan beide zijden van de kiemschijf ontstaat een holte
● De kleinste is het dooier blaasje met extra voeding
● Hieruit ontstaan ook de eerste bloedcellen
● Later neemt de leer dat over, nog later het rode beenmerg
● Het dooierblaasje verdwijnt
● De grotere amnionholte met vruchtwater beschermt het embryo tegen schokken en
stoten
● De twee vruchtvliezen, het amnion (van het amnionblaasje) en het chorion (van de
trofoblast), omringen het vruchtwater en groeien met het embryo mee
Van embryo tot foetus
● In de baarmoeder ontstaat uit cellen van moeder en de kind de placenta
● Via de placenta kan het embryo stoffen opnemen uit het bloed van de moeder, maar
ook afvalstoffen daaraan afgeven
● Het bloed van de moeder omspoelt daartoe de met (embryonaal) bloed gevulde
vlokken van het embryo
● De uitwisseling van stoffen tussen beide bloedsomlopen gaat via de celmembranen
van de vlokken
● Beide bloedsomlopen zijn daardoor strikt gescheiden
● De navelstreng verbindt de placenta met het kind
● De navelstreng bevat 1 ader en twee slagaders
● Deze drie bloedvaten zijn onderdeel van de bloedsomloop van het embryo.
● Het hart van het embryo levert de druk voor het stromen van het bloed
● De navelstrengslagaders vervoeren bloed met afvalstoffen vanuit het embryo naar de
placenta
● De navelstrengader voert voedingsstoffen en O2 vanuit de placenta naar het embryo
toe
● Na acht weken zijn alle organen aangelegd
● Het embryo is dan ongeveer 3 cm en heet vanaf nu foetus
● Soms stopt rond dit tijdstip de zwangschap en volgt er spontane abortus: een
miskraam
● De oorzaak is niet altijd duidelijk
Leerdoel 2
Je legt het belang uit van de placenta en de invloed van de leefstijl van
de moeder op de groei van het kind.
,Leefstijl
● Bij de begeleiding van de aanstaande moeders heeft Christianne veel aandacht voor
de leefstijl van de moeder
● In de eerste acht weken ontwikkelen zich alle organen van het kind
● Goede voeding is dan heel belangrijk
● De foetus heeft onder andere calcium, ijzer en vitamines nodig
● In deze periode is het embryo extra kwetsbaar voor medicijnen, alcohol en drugs
● Kinderen van rokende moeders hebben bij hun geboorte gemiddeld een lager
geboortegewicht. Ook stress en een drukke baan hebben invloed op het
geboortegewicht van het kind
Leerdoel 3:
Je beschrijft de ontwikkeling, bouw en werking van de
voortplantingsorganen en de vorming van secundaire
geslachtskenmerken
Geslachtskenmerken
● Na zes weken is het geslacht van het embryo nog onduidelijk
● Of embryo’s met het X en Y-chromosoom uitgroeien tot man, hangt af van het SRY-
gen. (sexdeterming region Y) op het Y-chromosoom
● Dit gen activeert en remt het hele reeks andere genen
● Daardoor ontwikkelen zich de testes (teelballen) uit de geslachtsklieren en ontstaan
de mannelijke primaire geslachtskenmerken
● Bij afwezigheid van het Y-chromosoom (meisjes zijn XX) ontwikkelt het embryo zich
tot een meisje
● De geslachtsklieren groeien uit tot ovaria (eierstokken) en de vrouwelijke primaire
geslachtskenmerken ontstaan
● Mensen met het syndroom van Swyer hebben een X- en een Y chromosoom, maar
ze hebben zich ontwikkeld als vrouw
● Een van de oorzaken is dat het SRY-gen niet goed werkt
● Deze vrouwen hebben eierstokken, maar die functioneren niet (goed)
Vrouwelijke voortplantingsorganen
● In de puberteit groeien de voortplantingsorganen van een meisje uit tot hun
volwassen bouw.
● In de ovaria vindt de ontwikkeling van eicellen plaats
● Vanaf de puberteit tot de overgang, de periode waarna een vrouw niet meer
vruchtbaar is, ontwikkelen zich elke maand in een van beide ovaria enkele follikels
● Uit een van die follikels ontwikkelt zich een rijpe eicel.
● Die eicel komt bij de ovulatie (eisprong) vrij uit het ovarium
● Een eileider vangt de eicel op en een bevruchting kan plaatsvinden
● Zonder die bevruchting sterft de eicel na 24 uur af
● Is er wel een bevruchting, dan beweging trilhaarcellen in de eileider de zygote in
ongeveer een week naar de baarmoeder
● De baarmoeder is aan de binnenkant bekleed met 5 tot 10 mm baarmoederslijmvlies
, ● Elke maand groeit dit slijmvlies aan ter voorbereiding op een mogelijke
zwangerschap
● Treedt er geen zwangerschap op, dan verdwijnt het aangegroeide slijmvlies voor een
groot deel weer bij een menstruatie
● De vagina vormt de toegang tot de baarmoeder
● Ze is bekleed met slijmvlies waar een pH van 3,8 tot 4,5 de groei van ongewenste
bacteriën en schimmels voorkomt
● Aan de buitenzijde vormen de buitenste en binnenste schaamlippen een bedekking
en bescherming van de vagina
● De ingang van de vagina heeft een soepel randje weefsel: het maagdenvlies
● In tegenstelling tot wat veel mensen denken, gaat dit randje bij de eerste
geslachtsgemeenschap niet stuk.
● Gaat het maagdenvlies wel stuk en is er vloedverlies, dan komt dat vaak doordat de
vagina niet vochtig genoeg is
● Dit is vaak een gevolg van spanning
● Vooraan tussen de binnenste schaamlippen ligt het topje van de clitoris, de
clitoriseikel
● De clitoris heeft inwendige zwellichamen die opzwellen bij opwinding
● Vrouwen kunnen door prikkeling van het topje van de clitoris een orgasme krijgen
Mannelijke geslachtsorganen
● Bij jongens verandert in de puberteit onder andere de grootte van de balzak, de
testes en de penis
● Beide testes (teelballen) bestaan uit sterk gekronelde zaadbuisjes, bijeengehouden
door bindweefsel.
● De testes zijn voor de geboorte afgedaald in het scrotum (de balzak)
● Bij kou trekken onderhuidse spiertjes in de balzak de teelballen tegen het warme
lichaam
● Bij hogere temperaturen ontspannen de spiertjes
● Op deze manier blijft de lichaamstemperatuur van de teelballen zo’n 2 graden lager
dan de lichaamstemperatuur.
● Dit is noodzakelijk voor een optimale productie van spermacellen
● Vanaf de puberteit maken cellen in de wanden van de zaadbuisjes spermacellen
● De zaadbuisjes monden uit in een bijbal, waar de laatste rijpingsprocessen
plaatsvinden
● de bij-ballen slaan de spermacellen op tot er een zaadlozing optreedt
● Vindt er geen zaadlozing plaats, dan breekt het lichaam na ongeveer een maand de
spermacellen af
● Bij seksuele opwinding vullen de zwellichamen van de penis zich met bloed
● Daardoor wordt de penis stijf: een erectie
● Het gevoeligste deel van de penis, de eikel, ligt aan het uiteinde onder de voorhuid
● Bij een zaadlozing duwen kringspiertjes rond de bijballen en de zaadleiders
spermacellen via de penis naar buiten
● Zaadblaasjes en prostaatklier voegen vocht toe aan de passerende spermacellen
● Dit is het sperma, een vloeistof met spermacellen
● Meestal heeft de jongen of man tijdens de zaadlozing een orgasme