Mr Big-methode
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 5 februari 2018 wegens een moord
gepleegd in 2010 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren. In het
opsporingsonderzoek was sprake van undercover optreden door politieambtenaren, dat wil zeggen
dat politieambtenaren met de verdachte in contact traden zonder dat zij zich als
opsporingsambtenaar bekend maakten. Tegenover deze politieambtenaren heeft de verdachte
verklaard dat hij [slachtoffer] met een steen op het hoofd heeft geslagen en haar daarna heeft
gewurgd. In deze cassatieprocedure gaat het met name om de vraag of die verklaring van de
verdachte in zijn strafzaak mag worden gebruikt.
Het Hof heeft over het undercoveroptreden het volgende vastgesteld (art 126 j Sv). Tijdens de in
september 2013 aangevangen undercoveroperatie hebben diverse zakelijke en sociale contacten
plaatsgevonden, waardoor een vertrouwensband tussen de verdachte en de politieambtenaren is
ontstaan. Aan de verdachte is een “wellicht niet geheel legale baan” aangeboden bij een fictief
beveiligingsbedrijf, met als voorwaarde dat hij opening van zaken zou geven omtrent de verdenking
ter zake van zijn betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] . Hij zou IT-werkzaamheden moeten
verrichten tegen onder meer een salaris van € 8.000,- per maand en hij zou ook andere klussen
kunnen doen die geld zouden opleveren. Uiteindelijk is de verdachte uitgenodigd om in september
2014 naar Spanje te komen, waar hij op 18 september 2014 onder meer ten overstaan van één van
de politieambtenaren, die zich voordeed als de baas, de voor het bewijs gebruikte bekennende
verklaring heeft afgelegd.
Deze opsporingsmethode wordt ook wel de ‘Mr. Big’-methode genoemd, een benaming die uit
Canada afkomstig is. Die ‘Mr. Big’-methode is niet een eenduidige, nauw omlijnde
opsporingsmethode. Het gaat om een algemene en globale aanduiding voor een operatie waarbij
een belangrijke rol speelt het heimelijk optreden van de politie dat is gericht op het winnen van het
vertrouwen van de verdachte teneinde deze ertoe te brengen een bekentenis af te leggen aan de
politieambtenaren.
Er kan geen algemeen en eenduidig juridisch antwoord worden gegeven op de vraag of ‘Mr. Big’ als
opsporingsmethode wel of niet toelaatbaar is. De Hoge Raad oordeelt in dit arrest over het specifieke
optreden van de politieambtenaren in deze zaak en over de vraag of het gebruik van de verklaringen
van de verdachte voor het bewijs in overeenstemming is met het recht. Bij deze beoordeling gaat het
vooral om de vraag of de verklaringsvrijheid van de verdachte is geschonden. De Hoge Raad komt in
dit arrest tot het oordeel dat de veroordeling van de verdachte niet in stand kan blijven, omdat het
oordeel van het Hof dat de verklaringsvrijheid van de verdachte is gerespecteerd, niet toereikend is
gemotiveerd. Daarbij heeft de Hoge Raad gelet op het verloop van het opsporingstraject en de
bemoeienis die de politieambtenaren hebben gehad met wezenlijke onderdelen van de door de
verdachte afgelegde verklaring. Het Hof heeft ook onvoldoende aandacht besteed aan de vraag of de
verslaglegging van het verloop van het opsporingstraject als geheel op juiste wijze heeft
plaatsgevonden. De uitspraak van het Hof wordt daarom vernietigd. De zaak zal door het
Gerechtshof Den Haag opnieuw worden onderzocht en beoordeeld.
Weegfactoren mr Big-methode:
- Verloop van het opsporingstraject
- Proceshouding van de verdachte
- Mate van (psychische) druk
- Wijze van toegepaste misleiding
, - Bemoeienis politie met inhoud verklaring
- Duur en intensiteit van het traject
- Strekking en frequentie van contacten
- In vooruitzicht gestelde consequenties
- Nauwkeurige verslaglegging: auditieve of videoregistratie
- Proportionaliteit en subsidiariteit
Muilkorfarrest: opsporing, berechting en vervolging kan enkel geregeld worden in wet in formele zin.
Echter: art 107 Gw; art 1 Sv delegatie.
1. Aanwijzen opsporingsbevoegdheden (art 142 Sv)
2. Creëren bewijsvermoedens
3. (vervolgings-)richtlijnen en -aanwijzingen
Nemo tenetur beginsel
Arrest Funke (1993)
Funke werd een geldboete opgelegd voor het niet ter inzage geven ondanks rechterlijk bevel, van
bepaalde documenten. Tevens werd hem een dwangsom opgelegd voor elke dag dat hij dit niet
deed. Funke was geen verdachte en evenmin volgde een strafprocedure. Voorts werd zijn woning
doorzocht waarbij onder meer bankafschriften in beslag werden genomen.
- Was het sanctioneren van het niet ter inzage geven van de documenten in strijd met het
recht zichzelf niet te incrimineren (nemo-tenetur beginsel).
- Waren de doorzoeking van zijn woning en de inbeslagname een schending van de in
artikel 8 EVRM neergelegde bescherming van de persoonlijke levenssfeer?
Het hof oordeelde deze gang van zaken in strijd met artikel 6, eerste lid EVRM. De autoriteiten
vermoedden dat deze documenten bestonden maar waren er niet zeker van. De geschetste gang van
zaken kwam daardoor neer op een ‘fishing expedition’. En Funke werd verzocht bewijs tegen zichzelf
te leveren. Door ontbreken van voldoende waarborgen tegen misbruik achtte het hof de toepassing
van de bevoegdheden in strijd met artikel 8 EVRM.
EHRM Saunders
Saunders werd door onafhankelijke inspecteurs gehoord, waarbij voor hem een spreekplicht gold, op
momenten waarop hij (nog) geen verdachte was. Het niet voldoen aan de spreekplicht was strafbaar
gesteld. Later werd verdachte en de door hem eerder (als getuige) afgelegde verklaringen als bewijs
in zijn strafzaak gebruikt. Hij werd veroordeeld.
- Was het gebruik van de voor de inspecteurs afgelegde verklaringen in de latere strafzaak
tegen Saunders in strijd met art. 6 EVRM?
Het Hof oordeelde dat het gebruik van de voor de inspecteurs afgelegde verklaringen in de latere
strafzaak een inbreuk was op het recht zichzelf niet te incrimineren. Het gegeven dat de verklaringen
waren afgelegd voordat hij als verdachte werd aangemerkt, betekent niet dat geen sprake kan zijn
van schending van dat recht. De belangrijkste overwegingen van het hof houdt in dat het recht
zichzelf niet te belasten met name ziet op het respecteren van de wil van een verdachte om te
zwijgen. Dat recht heeft echter geen betrekking op materiaal dat onafhankelijk van de wil van de
verdachte bestaat, zoals documenten, adem, bloed, urine en lichaamsmateriaal ten behoeve van
dna- onderzoek.
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 5 februari 2018 wegens een moord
gepleegd in 2010 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren. In het
opsporingsonderzoek was sprake van undercover optreden door politieambtenaren, dat wil zeggen
dat politieambtenaren met de verdachte in contact traden zonder dat zij zich als
opsporingsambtenaar bekend maakten. Tegenover deze politieambtenaren heeft de verdachte
verklaard dat hij [slachtoffer] met een steen op het hoofd heeft geslagen en haar daarna heeft
gewurgd. In deze cassatieprocedure gaat het met name om de vraag of die verklaring van de
verdachte in zijn strafzaak mag worden gebruikt.
Het Hof heeft over het undercoveroptreden het volgende vastgesteld (art 126 j Sv). Tijdens de in
september 2013 aangevangen undercoveroperatie hebben diverse zakelijke en sociale contacten
plaatsgevonden, waardoor een vertrouwensband tussen de verdachte en de politieambtenaren is
ontstaan. Aan de verdachte is een “wellicht niet geheel legale baan” aangeboden bij een fictief
beveiligingsbedrijf, met als voorwaarde dat hij opening van zaken zou geven omtrent de verdenking
ter zake van zijn betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] . Hij zou IT-werkzaamheden moeten
verrichten tegen onder meer een salaris van € 8.000,- per maand en hij zou ook andere klussen
kunnen doen die geld zouden opleveren. Uiteindelijk is de verdachte uitgenodigd om in september
2014 naar Spanje te komen, waar hij op 18 september 2014 onder meer ten overstaan van één van
de politieambtenaren, die zich voordeed als de baas, de voor het bewijs gebruikte bekennende
verklaring heeft afgelegd.
Deze opsporingsmethode wordt ook wel de ‘Mr. Big’-methode genoemd, een benaming die uit
Canada afkomstig is. Die ‘Mr. Big’-methode is niet een eenduidige, nauw omlijnde
opsporingsmethode. Het gaat om een algemene en globale aanduiding voor een operatie waarbij
een belangrijke rol speelt het heimelijk optreden van de politie dat is gericht op het winnen van het
vertrouwen van de verdachte teneinde deze ertoe te brengen een bekentenis af te leggen aan de
politieambtenaren.
Er kan geen algemeen en eenduidig juridisch antwoord worden gegeven op de vraag of ‘Mr. Big’ als
opsporingsmethode wel of niet toelaatbaar is. De Hoge Raad oordeelt in dit arrest over het specifieke
optreden van de politieambtenaren in deze zaak en over de vraag of het gebruik van de verklaringen
van de verdachte voor het bewijs in overeenstemming is met het recht. Bij deze beoordeling gaat het
vooral om de vraag of de verklaringsvrijheid van de verdachte is geschonden. De Hoge Raad komt in
dit arrest tot het oordeel dat de veroordeling van de verdachte niet in stand kan blijven, omdat het
oordeel van het Hof dat de verklaringsvrijheid van de verdachte is gerespecteerd, niet toereikend is
gemotiveerd. Daarbij heeft de Hoge Raad gelet op het verloop van het opsporingstraject en de
bemoeienis die de politieambtenaren hebben gehad met wezenlijke onderdelen van de door de
verdachte afgelegde verklaring. Het Hof heeft ook onvoldoende aandacht besteed aan de vraag of de
verslaglegging van het verloop van het opsporingstraject als geheel op juiste wijze heeft
plaatsgevonden. De uitspraak van het Hof wordt daarom vernietigd. De zaak zal door het
Gerechtshof Den Haag opnieuw worden onderzocht en beoordeeld.
Weegfactoren mr Big-methode:
- Verloop van het opsporingstraject
- Proceshouding van de verdachte
- Mate van (psychische) druk
- Wijze van toegepaste misleiding
, - Bemoeienis politie met inhoud verklaring
- Duur en intensiteit van het traject
- Strekking en frequentie van contacten
- In vooruitzicht gestelde consequenties
- Nauwkeurige verslaglegging: auditieve of videoregistratie
- Proportionaliteit en subsidiariteit
Muilkorfarrest: opsporing, berechting en vervolging kan enkel geregeld worden in wet in formele zin.
Echter: art 107 Gw; art 1 Sv delegatie.
1. Aanwijzen opsporingsbevoegdheden (art 142 Sv)
2. Creëren bewijsvermoedens
3. (vervolgings-)richtlijnen en -aanwijzingen
Nemo tenetur beginsel
Arrest Funke (1993)
Funke werd een geldboete opgelegd voor het niet ter inzage geven ondanks rechterlijk bevel, van
bepaalde documenten. Tevens werd hem een dwangsom opgelegd voor elke dag dat hij dit niet
deed. Funke was geen verdachte en evenmin volgde een strafprocedure. Voorts werd zijn woning
doorzocht waarbij onder meer bankafschriften in beslag werden genomen.
- Was het sanctioneren van het niet ter inzage geven van de documenten in strijd met het
recht zichzelf niet te incrimineren (nemo-tenetur beginsel).
- Waren de doorzoeking van zijn woning en de inbeslagname een schending van de in
artikel 8 EVRM neergelegde bescherming van de persoonlijke levenssfeer?
Het hof oordeelde deze gang van zaken in strijd met artikel 6, eerste lid EVRM. De autoriteiten
vermoedden dat deze documenten bestonden maar waren er niet zeker van. De geschetste gang van
zaken kwam daardoor neer op een ‘fishing expedition’. En Funke werd verzocht bewijs tegen zichzelf
te leveren. Door ontbreken van voldoende waarborgen tegen misbruik achtte het hof de toepassing
van de bevoegdheden in strijd met artikel 8 EVRM.
EHRM Saunders
Saunders werd door onafhankelijke inspecteurs gehoord, waarbij voor hem een spreekplicht gold, op
momenten waarop hij (nog) geen verdachte was. Het niet voldoen aan de spreekplicht was strafbaar
gesteld. Later werd verdachte en de door hem eerder (als getuige) afgelegde verklaringen als bewijs
in zijn strafzaak gebruikt. Hij werd veroordeeld.
- Was het gebruik van de voor de inspecteurs afgelegde verklaringen in de latere strafzaak
tegen Saunders in strijd met art. 6 EVRM?
Het Hof oordeelde dat het gebruik van de voor de inspecteurs afgelegde verklaringen in de latere
strafzaak een inbreuk was op het recht zichzelf niet te incrimineren. Het gegeven dat de verklaringen
waren afgelegd voordat hij als verdachte werd aangemerkt, betekent niet dat geen sprake kan zijn
van schending van dat recht. De belangrijkste overwegingen van het hof houdt in dat het recht
zichzelf niet te belasten met name ziet op het respecteren van de wil van een verdachte om te
zwijgen. Dat recht heeft echter geen betrekking op materiaal dat onafhankelijk van de wil van de
verdachte bestaat, zoals documenten, adem, bloed, urine en lichaamsmateriaal ten behoeve van
dna- onderzoek.