Hoofdstuk 1 kiezen
Paragraaf 1.1 Elke generatie kiest opnieuw
Iedereen moet keuzes maken in het leven, dit wordt gedaan doormiddel van prioriteiten.
Dit wordt gedaan door:
→ consumenten
→ bedrijven / overheid
Paragraaf 1.2 Welke kosten tellen mee?
word een product aangeschaft door de gebruiker noemen we dat → consumptie
worden er kapitaalgoederen aangeschaft om geld door te verdienen noemen we dat→ investeren
schaarste heeft 2 betekenissen
1. in dagelijks gebruik → absolute schaarste
→wanneer er een gebrek aan dit product is (bijv. hongersnood)
2. in de economie → relatieve schaarste
→ wanneer er een offer of inspanning moet worden geleverd om het product te verkrijgen
opofferingskosten: de opbrengsten van het beste niet gekozen alternatief.
bijv. keuze tussen 30 appels en 20 peren
je kiest voor de appels, je opofferingskosten zijn dan 20 peren
Paragraaf 1.3 Het budget, wat koop je ervoor?
in een budgetvergelijking kun je zo’n keuzeprobleem weergeven
lijn in het figuur → budgetlijn
inkomen → uitgedrukt in € → nominaal
waarde van het inkomen
koopkracht → hoeveel kan kopen →
reële waarde van het inkomen
Paragraaf 1.4 De invloed van
andermans keuze
beslissingen waarvan de gevolgen worden bepaald door de keuzes van een ander → speltheorie
- samenwerking tussen spelers → coöperatief spel
- geen samenwerking tussen spelers → concurrentie
dominante strategie: keuze waarin ze kiezen voor wat voor henzelf het meeste oplevert.
1
, Economie - boekje 1 - levensloop(4V)
meestal werkt een samenwerking alleen als er ook sancties aanzitten, de samenwerking is dus
afdwingbaar.
Wanneer er geen sancties zijn, kan dit meeliftersgedrag of free-ridersgedrag opleveren.
een tabel waarin de opbrengsten van elke strategie is weergegeven:
→opbrengstenmatrix
→ uitbetalingsmatrix
→ resultatenmatrix
Hoofdstuk 2 Jeugd
Paragraaf 2.2 Kinderjaren
overheid geeft ouders steun in de vorm van:
→ inkomensafhankelijke subsidie op de kinderopvang
→ kinderbijslag
→ gratis schoolboeken op de basisschool en het voortgezet onderwijs
→ studiefinanciering
Paragraaf 2.3 Je eerste eigen geld
veel jongeren vanaf 12 jaar beginnen eigen middelen te krijgen:
→ zakgeld, kleedgeld of hebben een eigen baantje
zakgeld → stroomgrootheid → meet je over een bepaalde periode
spaargeld → voorraadgrootheid → meet je op een bepaald moment
Nettoloon = brutoloon – loonheffing
loonheffing = belasting en sociale premies
→ iedereen krijgt algemene heffingskorting en werkende arbeidskorting
→ bedraagt jouw loonheffing €2000,- en is de korting €1800,- moet je bijbetalen.
Paragraaf 2.4 De verdeling van de inkomens
inkomensnivellering → inkomensverschillen worden in verhouding kleiner
inkomensdenivellering → inkomensverschillen worden in verhouding groter
inkomensverschillen kunnen op verschillende manieren gemeten worden:
1. verhouding tussen 10% hoogste en 10% laagste inkomens.
2. door weergeven met behulp van een frequentieverdeling
bijv. inkomen in € %
0 en 10.000 10%
10.000 en 20.000 25%
20.000 en 30.000 40%
30.000 en 40.000 15%
40.000 en 50.000 8%
50.000 en 60.000 2%
2