AK Samenvatting temperatuurfactoren
De 5 temperatuurfactoren:
1. Breedteligging Hoe verder van de evenaar, hoe kouder.
2. Hoogteligging Hoe hoger, hoe kouder.
3. Ligging ten opzichte van de zee Hoe verder van de zee, hoe kouder in de
winter en hoe warmer in de zomer.
4. Wind en zeestromen Warme of koude wind of zeestromen
5. Ligging van gebergten Wel of geen beschutte plek.
Luchtstreken – Breedtegraden (wiskundige begrenzing)
poolstreken
1 o
--------------------------------66 /2 N.B. poolcirkel--------------------------------
gematigde zone
--------------------------------23 1/2o N.B. keerkring--------------------------------
tropen
o
--------------------------------0 evenaar--------------------------------
tropen
1 o
--------------------------------23 /2 Z.B. keerkring--------------------------------
gematigde zone
--------------------------------66 1/2o N.B. poolcirkel--------------------------------
poolstreken
1 Luchtstreken: Temperatuurzones, wiskundig (met breedtecirkels ^^^) of thermisch (met
isothermen) te begrenzen.
Isothermen: Lijnen die plaatsen met de zelfde temperatuur verbinden
Subtropen: Deel van de gematigde zone het dichts bij de tropen.
Midzomernacht: Nacht van 21 juni waarin de zon niet ondergaat.
Poolnacht: Dag van 21 december waarin de zon niet opkomt.
Palmgrens: Kenmerk van de grens van de tropen, de kokospalm groeit alleen in gebieden
waar het in de winter niet kouder word dan 18o. De isotherm van 18o is de palmgrens en de
grens van de tropen.
Boomgrens: Kenmerk van de grens van de polen, naaldbomen en berken groeien alleen in
gebieden waar het in de zomer niet warmer word dan 10o. De isotherm van 10o is de
boomgrens en de grens van de polen.
2 Hoogtegordels: Landschapszone ontstaan door temperatuurverschillen door de
hoogte. Ook in de hoogte heb je een loofboomgordel en een naaldboomgordel. Per
1000 meter die je hoger gaat wordt het 6o kouder.
De 5 temperatuurfactoren:
1. Breedteligging Hoe verder van de evenaar, hoe kouder.
2. Hoogteligging Hoe hoger, hoe kouder.
3. Ligging ten opzichte van de zee Hoe verder van de zee, hoe kouder in de
winter en hoe warmer in de zomer.
4. Wind en zeestromen Warme of koude wind of zeestromen
5. Ligging van gebergten Wel of geen beschutte plek.
Luchtstreken – Breedtegraden (wiskundige begrenzing)
poolstreken
1 o
--------------------------------66 /2 N.B. poolcirkel--------------------------------
gematigde zone
--------------------------------23 1/2o N.B. keerkring--------------------------------
tropen
o
--------------------------------0 evenaar--------------------------------
tropen
1 o
--------------------------------23 /2 Z.B. keerkring--------------------------------
gematigde zone
--------------------------------66 1/2o N.B. poolcirkel--------------------------------
poolstreken
1 Luchtstreken: Temperatuurzones, wiskundig (met breedtecirkels ^^^) of thermisch (met
isothermen) te begrenzen.
Isothermen: Lijnen die plaatsen met de zelfde temperatuur verbinden
Subtropen: Deel van de gematigde zone het dichts bij de tropen.
Midzomernacht: Nacht van 21 juni waarin de zon niet ondergaat.
Poolnacht: Dag van 21 december waarin de zon niet opkomt.
Palmgrens: Kenmerk van de grens van de tropen, de kokospalm groeit alleen in gebieden
waar het in de winter niet kouder word dan 18o. De isotherm van 18o is de palmgrens en de
grens van de tropen.
Boomgrens: Kenmerk van de grens van de polen, naaldbomen en berken groeien alleen in
gebieden waar het in de zomer niet warmer word dan 10o. De isotherm van 10o is de
boomgrens en de grens van de polen.
2 Hoogtegordels: Landschapszone ontstaan door temperatuurverschillen door de
hoogte. Ook in de hoogte heb je een loofboomgordel en een naaldboomgordel. Per
1000 meter die je hoger gaat wordt het 6o kouder.