Maatschappijwetenschappen
VWO/GYMNASIUM 4e klas
H2 Samenleving en verschillen
2.1 Sociale ongelijkheid
Sociale ongelijkheid -> consequenties van toedeling macht, status en bezit
Discriminatie -> ongelijke behandeling in gelijke gevallen
Vier soorten sociale ongelijkheid zijn:
Ongelijke verdeling van economische hulpbronnen (geld en bezit)
Ongelijke verdeling van sociale hulpbronnen (mensen die je kent,
contacten)
Ongelijke verdeling van symbolische hulpbronnen (status en aanzien,
opkijken tegen iemand)
Ongelijke verdeling van politieke hulpbronnen (macht en gezag)
De verdeling van de maatschappij in groepen noemen we sociale stratificatie,
en die groepen noemen we ook wel sociale lagen
Er ontstaat dus een maatschappelijke ladder
Als mensen/groepen worden vergeleken op gebied van beroep noemen we dat
een beroepsprestigeladder
Het stijgen of dalen op de maatschappelijke ladder noemen we sociale
mobiliteit
Als groepen sociaal mobiel zijn, kan dat worden verklaard door processen van:
Positietoewijzing: mensen komen op een bepaalde plek terecht
Positieverwerving: mensen verkrijgen positie door eigen bijdrage
In gesloten samenlevingen is er nauwelijks sprake van sociale mobiliteit, in
open samenlevingen hebben mensen meer kans om sociaal mobiel te zijn
In westerse landen zie je vormen van verzorgingsstaten die de ongelijkheid
bestrijden
Collectieve goederen zijn goederen waar iedereen baat bij heeft (schoon
drinkwater, onderwijs)