Formatieve toets 1: neurocognitieve stoornissen
1. Wat wordt verstaan onder de term “cognitieve stoornissen”?
a. Stoornissen in het (her)kennen van de omgeving.
b. Stoornissen in vooral de stemming en het affect.
c. Stoornissen waarbij het gedrag van de patiënt vooral bepaald wordt door
afhankelijkheid van middelen.
2. Wat geldt voor een delier?
a. Er is altijd sprake van een psychische oorzaak.
b. Het komt uitsluitend voor bij ouderen.
c. Het is een toestand van verwardheid bij een gedaald bewustzijn.
3. De voorhoofdskwab van de grote hersenen is:
a. de occipitaalkwab
b. de temporaalkwab
c. de frontaalkwab
4. Het onderstaande plaatje is afkomstig van www.alzheimer.nl
Vul aan: de ziekte van Alzheimer gaat gepaard met ……
,a. hypertrofie van de hersenschors
b. afzetting van afwijkend eiwit en beschadiging van neuronen
c. afname van het volume van de ventrikels
5. A B
(Bron: Clijsen e.a. Leerboek psychiatrie voor verpleegkundigen, gedeelte tabel 11.4)
Welk stoornis wordt in bovenstaande tabel bedoeld met A en welke stoornis met B als je kijkt
naar de genoemde kenmerken?
a. A = depressie, B = delier
b. A = delier, B = dementie
c. A = dementie, B = depressie
6. Welk begrip hoort bij: “verminderd taalbegrip en problemen met
taalexpressie”?
a. apraxie
b. afasie
c. agnosie
, 7.
(Bron: Clijsen e.a. Leerboek psychiatrie voor verpleegkundigen, casus 11.2)
Vraag: aan welke vorm van neurocognitieve stoornis lijdt mevrouw Bastiaansen?
a. Frontotemporale
b. Lewy body
c. Vasculaire
8. Wat geldt voor het syndroom van Korsakov?
a. Dit wordt veroorzaakt door een vitamine B12-gebrek.
b. Alcoholmisbruik is een veel voorkomende oorzaak het syndroom van Korsakov.
c. Dit wordt gekenmerkt door de combinatie van geheugenproblemen en problemen met
bewegen.
1. Wat wordt verstaan onder de term “cognitieve stoornissen”?
a. Stoornissen in het (her)kennen van de omgeving.
b. Stoornissen in vooral de stemming en het affect.
c. Stoornissen waarbij het gedrag van de patiënt vooral bepaald wordt door
afhankelijkheid van middelen.
2. Wat geldt voor een delier?
a. Er is altijd sprake van een psychische oorzaak.
b. Het komt uitsluitend voor bij ouderen.
c. Het is een toestand van verwardheid bij een gedaald bewustzijn.
3. De voorhoofdskwab van de grote hersenen is:
a. de occipitaalkwab
b. de temporaalkwab
c. de frontaalkwab
4. Het onderstaande plaatje is afkomstig van www.alzheimer.nl
Vul aan: de ziekte van Alzheimer gaat gepaard met ……
,a. hypertrofie van de hersenschors
b. afzetting van afwijkend eiwit en beschadiging van neuronen
c. afname van het volume van de ventrikels
5. A B
(Bron: Clijsen e.a. Leerboek psychiatrie voor verpleegkundigen, gedeelte tabel 11.4)
Welk stoornis wordt in bovenstaande tabel bedoeld met A en welke stoornis met B als je kijkt
naar de genoemde kenmerken?
a. A = depressie, B = delier
b. A = delier, B = dementie
c. A = dementie, B = depressie
6. Welk begrip hoort bij: “verminderd taalbegrip en problemen met
taalexpressie”?
a. apraxie
b. afasie
c. agnosie
, 7.
(Bron: Clijsen e.a. Leerboek psychiatrie voor verpleegkundigen, casus 11.2)
Vraag: aan welke vorm van neurocognitieve stoornis lijdt mevrouw Bastiaansen?
a. Frontotemporale
b. Lewy body
c. Vasculaire
8. Wat geldt voor het syndroom van Korsakov?
a. Dit wordt veroorzaakt door een vitamine B12-gebrek.
b. Alcoholmisbruik is een veel voorkomende oorzaak het syndroom van Korsakov.
c. Dit wordt gekenmerkt door de combinatie van geheugenproblemen en problemen met
bewegen.