Medische vakken
hoorcolleges periode 2
02-001
celbiologie
Vertakte cellen → zenuwcellen
Bouw van de cel
1. celmembraan
2. celkern
- chromosomen met DNA
- nucleolus
3. celorganellen
- mitochondria → energie vrij maken door
middel van verbranding, ATP
- endoplasmatisch reticulum → glad en ruw
ER. het ruwe ER speelt een rol bij
transporteren van eiwitten en het glad ER
speelt een rol bij de
stofwisselingsprocessen
- golgi-apparaat → eiwitten uit het ER
worden verder bewerkt, opgeslagen en
getransporteerd
- ribosomen → zitten op het ruwe
endoplasmatisch reticulum, zorgen voor
de eiwitsynthese
- lysosomen → bevatten enzymen om
lichaamsvreemde stoffen of afvalstoffen af
te breken / worden afgesplitst door het golgi-apparaat
- peroxisomen → verschillende taken bijv. de synthese van fosfolipiden
- centriolen → spelen een rol bij de celdeling
De fosfolipide zitten buiten het celmembraan of deels in het celmembraan.
→ 2 vetzuren per fosfolipiden
,Het cytoskelet zorgt voor versteviging van het celmembraan.
cytoplasma: alles waar een cel uit bestaat met uitzondering van de celkern
cytosol: het vloeistof wat in de cel zit
Eiwitten kunnen verschillende dingen zijn:
- hormonenen → geven alleen reactie bij cellen die een receptor hebben voor het bepaalde
hormoon (bijv. insuline)
- pigment
- transporteiwitten
- neurotransmitters → een signaalstof dat zenuwimpulsen overdraagt tussen zenuwcellen in
het zenuwstelsel
Opbouw eiwitten:
- combinatie van 20 verschillende aminozuren
- de volgorde van de aminozuren bepaald de functie, vorm en activiteit van het eiwit
Eiwit:
DNA = deoxyribonucleïnezuur
- stikstofbase, suikergroep en fosfaatgroep
- 5 stikstofbasen: Adenine, Cytosine, Guanine, Thymine en Uracil (U alleen bij RNA)
- genen = erfelijke informatie
Junk DNA = niet coderend DNA, regelen gebruik van eiwitten
Eiwitsynthese
1. transcriptie
- info DNA overgeschreven naar mRNA
, → T wordt A
→ A wordt U
→ G wordt C of andersom
- mRNA naar ribosomen
2. translatie
- info van mRNA gebruikt voor volgorde aminozuren
- tRNA voert aminozuren aan naar ribosomen (tRNA = transfer RNA)
3 stikstofbasen heet een codon en is de code voor een aminozuur
https://biologielessen.nl/index.php/dna/638-translatie
Mitose
- chromosoom kopieert zich en bestaat uit 2 (zuster)chromatiden
- chromosomen in equatoriale vlak (vlak in het midden van de cel die dwars op de
delingsrichting staat)
- centriolen gaan naar de ‘polen’ van de cel
- spoelfiguur tussen ‘polen’ en chromosomen
- chromatiden breken bij de centromeren
- spoelfiguur trekt de chromatiden uit elkaar
→ chromosoom bestaat uit 1 chromatide (in dochtercel)
- dochtercellen zijn identiek (allemaal een draadje van de moeder en een draadje van de
vader)
, Elk chromosoom bestaat uit 2 draadjes, 1 draadje
heet een chromatide. De ene chromatide gaat
naar de ene dochtercel en de andere chromatide
naar de andere dochtercel.
Meiose
→ DNA replicatie
1. meiose 1 (reductiedeling)
- chromosomen paren gaan uit elkaar
- chromosoom blijft bestaan uit 2 chromatiden
- dochtercel heeft info van vader of moeder (reductie van informatie)
2. meiose 2
- vooraf geen DNA-replicatie
- chromosomen gaan uit elkaar
- chromosoom bestaat uit 1 chromatide
hoorcolleges periode 2
02-001
celbiologie
Vertakte cellen → zenuwcellen
Bouw van de cel
1. celmembraan
2. celkern
- chromosomen met DNA
- nucleolus
3. celorganellen
- mitochondria → energie vrij maken door
middel van verbranding, ATP
- endoplasmatisch reticulum → glad en ruw
ER. het ruwe ER speelt een rol bij
transporteren van eiwitten en het glad ER
speelt een rol bij de
stofwisselingsprocessen
- golgi-apparaat → eiwitten uit het ER
worden verder bewerkt, opgeslagen en
getransporteerd
- ribosomen → zitten op het ruwe
endoplasmatisch reticulum, zorgen voor
de eiwitsynthese
- lysosomen → bevatten enzymen om
lichaamsvreemde stoffen of afvalstoffen af
te breken / worden afgesplitst door het golgi-apparaat
- peroxisomen → verschillende taken bijv. de synthese van fosfolipiden
- centriolen → spelen een rol bij de celdeling
De fosfolipide zitten buiten het celmembraan of deels in het celmembraan.
→ 2 vetzuren per fosfolipiden
,Het cytoskelet zorgt voor versteviging van het celmembraan.
cytoplasma: alles waar een cel uit bestaat met uitzondering van de celkern
cytosol: het vloeistof wat in de cel zit
Eiwitten kunnen verschillende dingen zijn:
- hormonenen → geven alleen reactie bij cellen die een receptor hebben voor het bepaalde
hormoon (bijv. insuline)
- pigment
- transporteiwitten
- neurotransmitters → een signaalstof dat zenuwimpulsen overdraagt tussen zenuwcellen in
het zenuwstelsel
Opbouw eiwitten:
- combinatie van 20 verschillende aminozuren
- de volgorde van de aminozuren bepaald de functie, vorm en activiteit van het eiwit
Eiwit:
DNA = deoxyribonucleïnezuur
- stikstofbase, suikergroep en fosfaatgroep
- 5 stikstofbasen: Adenine, Cytosine, Guanine, Thymine en Uracil (U alleen bij RNA)
- genen = erfelijke informatie
Junk DNA = niet coderend DNA, regelen gebruik van eiwitten
Eiwitsynthese
1. transcriptie
- info DNA overgeschreven naar mRNA
, → T wordt A
→ A wordt U
→ G wordt C of andersom
- mRNA naar ribosomen
2. translatie
- info van mRNA gebruikt voor volgorde aminozuren
- tRNA voert aminozuren aan naar ribosomen (tRNA = transfer RNA)
3 stikstofbasen heet een codon en is de code voor een aminozuur
https://biologielessen.nl/index.php/dna/638-translatie
Mitose
- chromosoom kopieert zich en bestaat uit 2 (zuster)chromatiden
- chromosomen in equatoriale vlak (vlak in het midden van de cel die dwars op de
delingsrichting staat)
- centriolen gaan naar de ‘polen’ van de cel
- spoelfiguur tussen ‘polen’ en chromosomen
- chromatiden breken bij de centromeren
- spoelfiguur trekt de chromatiden uit elkaar
→ chromosoom bestaat uit 1 chromatide (in dochtercel)
- dochtercellen zijn identiek (allemaal een draadje van de moeder en een draadje van de
vader)
, Elk chromosoom bestaat uit 2 draadjes, 1 draadje
heet een chromatide. De ene chromatide gaat
naar de ene dochtercel en de andere chromatide
naar de andere dochtercel.
Meiose
→ DNA replicatie
1. meiose 1 (reductiedeling)
- chromosomen paren gaan uit elkaar
- chromosoom blijft bestaan uit 2 chromatiden
- dochtercel heeft info van vader of moeder (reductie van informatie)
2. meiose 2
- vooraf geen DNA-replicatie
- chromosomen gaan uit elkaar
- chromosoom bestaat uit 1 chromatide