Swk 2
Hc 1: prenatale ontwikkeling en fysieke ontwikkeling in de babytijd
Ontwikkelingspsychologie: studie naar groei, verandering en stabiliteit van
conceptie tot ouderdom
Fysiek, cognitief, sociaal-emotioneel en persoonlijkheid
Stadia van de prenatale periode:
Germinaal: bevruchting tot twee weken -> methodische celdeling, begin
functiedeling.
Embryonaal: twee tot acht weken -> zygote nu embryo, drie lagen: ecto-, endo-
en mesoderm.
Foetaal: acht weken tot geboorte -> embryo nu foetus, differentiatie van
belangrijkste organen.
Teratogene factoren: schadelijke invloeden tijdens zwangerschap
Zoals: roken, alcohol, slechte voeding, stress, leeftijd, etniciteit, lage
sociaaleconomische status, alleenstaand, lage opleiding. (Niet allemaal gelijk
schadelijk, sommige riskant).
Type onderzoek:
Experimentele onderzoek:
o Voor- en nameting
o Experimentele en controlegroep
o Randomisatie
Longitudinaal (langdurig) onderzoek:
o Cohortonderzoek: onderzoek waarbij een groep mensen met
gemeenschappelijke kenmerken over tijd wordt gevolgd om effecten
van factoren te bestuderen.
o Tweelingenonderzoek
Continue en discontinue verandering
Continue verandering: geleidelijke verandering/ ontwikkeling zonder duidelijke
overgang
Discontinue verandering: verandering die zich in aparte stappen of stadia
voltrekt, duidelijke overgang
Erfelijkheid en omgeving
Gen-omgevingseffecten: genetische aanleg en omgeving kinderen op
verschillende manieren beïnvloedden.
o Passief: ouders dragen genen en omgeving over aan kinderen
o Actief: kinderen selecteren of creëren zelf een omgeving die past bij
hun genotype.
o Evocatief: het kind lokt door zijn genotype reacties uit de omgeving
uit.
Diathesis stess model
Aandoeningen ontstaan vanuit een aanleg (diathese) in combinatie met
stressvolle omstandigheden. (gevoelig voor stres)
Differential susceptibillity hypothese
Gevoeligheid kan negatieve, maar ook positieve impact hebben. (gevoelig
voor alles (goed en slecht))
,
, Swk 2
Hc 2: fysieke en motorische ontwikkeling
motorische fysieke activiteit
Hangt samen met hoe je cognitief ontwikkelt en hoe je sociaal emotioneel
ontwikkelt.
Lichamelijk, fysiek: hersenen, zintuigen spieren etc./ eet, beweeg en slaaggedrag
Motoriek: gaat specifiek in op beweging
Kenmerken motorische ontwikkeling:
Constante aanpassing
Leeftijdsafhankelijk
Sequentieel -> opvolgende fasen
In relatie met sociale, psychische en fysiologische processen
Vier principes van groei:
Cefalocaudale principe: van hoofd naar de rest
Proximodistaal principe: van binnen naar buiten
Principe van hiërarchische integratie: van simpel naar complex
Principe van de onafhankelijkheid van systemen: verschillende systemen
onafhankelijk van elkaar ontwikkelen.
De dynamische systeemtheorie
De theorie beschrijft hoe motorische ontwikkeling in samenhang met
andere velden van ontwikkeling ontwikkeld. (motorische vaardigheden zich
ontwikkelen en in samenhang worden gecoördineerd).
Belangrijk: interactionele benadering -> idee dat ontwikkeling plaatsvindt
door interactie met elkaar te zien.
Reflexen:
Vanuit nativisme (nature)
“reflex is een niet-aangeleerde, onvrijwillige respons die automatisch
optreedt in de aanwezigheid van bepaalde stimuli”.
Hc 1: prenatale ontwikkeling en fysieke ontwikkeling in de babytijd
Ontwikkelingspsychologie: studie naar groei, verandering en stabiliteit van
conceptie tot ouderdom
Fysiek, cognitief, sociaal-emotioneel en persoonlijkheid
Stadia van de prenatale periode:
Germinaal: bevruchting tot twee weken -> methodische celdeling, begin
functiedeling.
Embryonaal: twee tot acht weken -> zygote nu embryo, drie lagen: ecto-, endo-
en mesoderm.
Foetaal: acht weken tot geboorte -> embryo nu foetus, differentiatie van
belangrijkste organen.
Teratogene factoren: schadelijke invloeden tijdens zwangerschap
Zoals: roken, alcohol, slechte voeding, stress, leeftijd, etniciteit, lage
sociaaleconomische status, alleenstaand, lage opleiding. (Niet allemaal gelijk
schadelijk, sommige riskant).
Type onderzoek:
Experimentele onderzoek:
o Voor- en nameting
o Experimentele en controlegroep
o Randomisatie
Longitudinaal (langdurig) onderzoek:
o Cohortonderzoek: onderzoek waarbij een groep mensen met
gemeenschappelijke kenmerken over tijd wordt gevolgd om effecten
van factoren te bestuderen.
o Tweelingenonderzoek
Continue en discontinue verandering
Continue verandering: geleidelijke verandering/ ontwikkeling zonder duidelijke
overgang
Discontinue verandering: verandering die zich in aparte stappen of stadia
voltrekt, duidelijke overgang
Erfelijkheid en omgeving
Gen-omgevingseffecten: genetische aanleg en omgeving kinderen op
verschillende manieren beïnvloedden.
o Passief: ouders dragen genen en omgeving over aan kinderen
o Actief: kinderen selecteren of creëren zelf een omgeving die past bij
hun genotype.
o Evocatief: het kind lokt door zijn genotype reacties uit de omgeving
uit.
Diathesis stess model
Aandoeningen ontstaan vanuit een aanleg (diathese) in combinatie met
stressvolle omstandigheden. (gevoelig voor stres)
Differential susceptibillity hypothese
Gevoeligheid kan negatieve, maar ook positieve impact hebben. (gevoelig
voor alles (goed en slecht))
,
, Swk 2
Hc 2: fysieke en motorische ontwikkeling
motorische fysieke activiteit
Hangt samen met hoe je cognitief ontwikkelt en hoe je sociaal emotioneel
ontwikkelt.
Lichamelijk, fysiek: hersenen, zintuigen spieren etc./ eet, beweeg en slaaggedrag
Motoriek: gaat specifiek in op beweging
Kenmerken motorische ontwikkeling:
Constante aanpassing
Leeftijdsafhankelijk
Sequentieel -> opvolgende fasen
In relatie met sociale, psychische en fysiologische processen
Vier principes van groei:
Cefalocaudale principe: van hoofd naar de rest
Proximodistaal principe: van binnen naar buiten
Principe van hiërarchische integratie: van simpel naar complex
Principe van de onafhankelijkheid van systemen: verschillende systemen
onafhankelijk van elkaar ontwikkelen.
De dynamische systeemtheorie
De theorie beschrijft hoe motorische ontwikkeling in samenhang met
andere velden van ontwikkeling ontwikkeld. (motorische vaardigheden zich
ontwikkelen en in samenhang worden gecoördineerd).
Belangrijk: interactionele benadering -> idee dat ontwikkeling plaatsvindt
door interactie met elkaar te zien.
Reflexen:
Vanuit nativisme (nature)
“reflex is een niet-aangeleerde, onvrijwillige respons die automatisch
optreedt in de aanwezigheid van bepaalde stimuli”.