Uitwerking MB BS7 & BS8
BS7:
Kan het proces van gaswisseling in de longen (pulmones) en in de weefsels
uitleggen en kan het capillair uitwisselingsproces beschrijven.
Gaswisseling:
- Diffusie: moleculen die zich verplaatsen van hoog naar de lage concentratie
totdat de concentratie gelijk is.
- Alveoli: longblaasje
- Capillair: kleine bloedvaten door de dunne wanden is diffusie mogelijk
- Basisch: substantie die tegengestelde van zuur is (pH > 7)
- Zuren: waterstof & koolstofdioxide (pH < 7)
- Basen: bicarbonaat
- Koolzuur = belangrijk zuur in lichaamsvloeistoffen
Partiële druk:
- Partiële druk van elk gas is bepalend voor snelheid waarmee het gas tussen de
lucht in de alveoli en bloed diffundeert (druk aan de ene kant 10mmHg en andere
kant 160 mmHg -> diffusie vindt snel plaats)
- De druk per type gas
- Alle partiële druk bij elkaar opgeteld is totale druk
Alveolaire lucht tegenover atmosferische lucht:
- Wanneer lucht de luchtwegen in gaat veranderen de eigenschappen ->
- Ingeademde lucht door de neusholte wordt warmer en vochtiger (hoeveelheid
waterdamp neemt toe)
- Ingeademde lucht in de alveoli wordt gemengd met achtergebleven lucht na de
vorige ademhalingscyclus -> bevat meer koolstofdioxide & minder zuurstof dan
atmosferische lucht
- De laatste 150 ml ingeademde lucht (30% van ademvolume) komt niet verder
dan luchtwegen en in de dode ruimte -> ontstaat een nieuw mengsel
Luchtsamenstelling:
Lucht Stikstof (N2) Zuurstof (O2) Waterdamp Koolstofdioxide
(H2O) (CO2)
Ingeademde 597 (78.6%) 159 (20.9%) 3.7 (0.5%) 0.3 (0.04%)
lucht (droog)
Lucht alveoli 573 (75.4%) 100 (13.2%) 47 (6.2%) 40 (5.2%)
(verzadigd)
, Uitgeademde 569 (74.8%) 116 (15.3%) 47 (6.2%) 28 3.7%)
lucht
(verzadigd)
- Verzadigd = met een maximale hoeveelheid waterdamp
Respiratie:
- Gasuitwisseling door verschillende manieren
- Externe respiratie:
- Tussen de lucht in de alveoli en de alveolaire capillair kleine bloedsomloop->
- Zuurstofdruk (PO2) in de alveoli = 100, zuurstofdruk in capillairen = 40 ->
zuurstof vanuit de alveoli verplaats net zo lang naar capillairen tot de
zuurstofdruk 100 is
- Koolstofdioxide (PCO2) wordt van de capillairen naar de alveoli verplaatst totdat
het 40 is
- Interne respiratie:
- Tussen de grote bloedsomloop van de capillairen en de interstitiële vloeistof ->
- Zuurstofdruk (PO2) in interstitiële vloeistof = 95, bloedsomloop van capillairen =
40 (omdat daar meer zuurstof wordt verbruikt) -> zuurstof vanuit de interstitiële
vloeistof wordt verplaatst naar de grote bloedsomloop van de capillairen
- Koolstofdioxide (PCO2) wordt van de bloedsomloop naar de interstitiële
vloeistof verplaatst totdat het 40 is
Zuurstoftransport:
- Zuurstof en koolstofdioxide lossen slecht op in het bloedplasma -> perifere
weefsels hebben meer zuurstof nodig en produceren meer koolstofdioxide dan
het plasma kan vervoeren en opnemen
- Door erytrocyten (rode bloedcel) worden opgeloste zuurstof- en
koolstofdioxidemoleculen opgenomen uit het plasma
- Zuurstof wordt opgenomen en gebonden
- Koolstofdioxide wordt gebruikt om oplosbare verbindingen te vormen
- Erytrocyten door hemoglobine: 4 bindingsplaatsen van ijzer waar
zuurstofmoleculen aan binden
- Formule: Hb + O2 <-> HbO2 (oxyhemoglobine)
- Hoeveelheid O2 binding: afhankelijk van PO2 omgeving -> zuurstofdruk hoog in
omgeving veel bindingen, lage zuurstofdruk minder bindingen
- Hoeveelheid O2 afgifte: afhankelijk van activiteit van weefsels, pH &
temperatuur -> actieve weefsels ontstaat lage zuurstofdruk (PO2) verschil
zuurstofdruk in capillairen en weefsel groter dus meer bindingen
- pH hoog = meer afgifte, temperatuur hoog = meer afgifte
,Koolstofdioxidetransport:
- Opgelost in bloedplasma 7%
- Gebonden aan hemoglobine in rode bloedcellen 23%
- Koolstofdioxide omgezet door koolzuuranhydrase in koolzuur (H2CO3) ->
omgezet in bicarbonaat (HCO3) ->
Reactie: CO2 + H2O <-> H2CO3 <-> H+ + HCO3- / CO2 + H2O <-> H+ + HCO3-
Koolstofdioxide water koolzuur waterstofionen bicarbonaat
- Deze processen zijn omkeerbaar -> koolstofdioxide bij weefsels wordt
opgenomen en in de alveoli worden afgegeven
Kan het principe van zuur-base-evenwicht uitleggen en de rol van de longen hierin
herkennen.
Zuur en basisch:
- Zuur = een stof die waterstofionen (H+-ionen) af kan staan
- (Koolzuur) -> H2CO3 -> H+ + HCO3-
- Base = een stof die waterstofionen (H+-ionen) kan binden in een waterige
oplossing
- H+ hoog -> pH laag/ H+9 laag -> pH hoog
- Zuurtegraad neemt toe (pH daalt):
- Bij stijging concentratie zure verbindingen in lichaam
- Bij daling basische verbindingen in lichaam
Zuur-base evenwicht:
- Evenwicht tussen de hoeveelheid zuren en basen in een oplossing
- pH = zuurgraad -> concentratie H+ (waterstof) ionen
- pH ligt tussen 0-14
- pH kleiner 7 = oplossing zuur, pH groter 7 = oplossing basisch
- Homeostase: pH-waarde bloed: 7.35-7.45
- pH lager 7.35 = Aandoening Acidose
- pH hoger 7.45 = Aandoening Alkalose
- -> deze aandoeningen hebben invloed op alle orgaanstelsels (vooralk
zenuwstelsel & bloedvatenstelsel)
- In longen valt koolzuur uiteen in koolstofdioxide en water -> koolstofdioxide gaat
de alveoli in door diffusie
- In perifere weefsels reageert koolstofdioxide met water -> koolzuur gevormd
- Koolzuurmoleculen vallen uiteen -> waterstofionen en bicarbonaationen
- H+ en HCO3
- Als PCO2 stijgt -> vormt meer koolzuur en komen meer waterstofionen en
bicarbonaationen vrij: PH daalt
, - Als PCO2 daalt -> lichaam wil koolstofdioxide vasthouden en aanmaken,
waterstofionen binden aan bicarbonaat -> koolstofdioxide wordt gevormd
lichaam verliest zuur: PH stijgt
- PCO2 belangrijkste factor die invloed heeft op pH in weefsels
Metabolisme:
- Metabolisme in lichaam -> ontstaan zuren
- Mechanisme in het lichaam om H+ constant te houden
Kan beschrijven hoe de ademhaling wordt bewaakt, welke parameters hierbij van
belang zijn en afwijkingen hierin interpreteren.
Buffers:
- Om homeostase te handhaven -> gebruik tijdelijk buffersystemen: om
waterstofionen te binden / los te laten
- Zuren kunnen hierdoor tijdelijk geneutraliseerd worden
- Buffer bestaat uit: zwakzuur: waterstofionen kan afstaan / zwakke basen:
waterstofionen kan opnemen
- Eiwit-buffer: reguleert pH intra- extracellulair (binnen & buiten cel)
- Fosfaat-buffer: voornamelijk intracellulair -> omdat daar concentratie
fosfaationen hoger is
- Bicarbonaat buffer: voornamelijk extracellulair
Bicarbonaat buffer systeem:
- H2O + CO2 <-> H2CO3 <-> H+ + HCO3-
- Koolzuur = voorraad van zuren en basen & kan bicarbonaat afstaan &
waterstofionen en dus zuren afstaan
- Bicarbonaat = basen dat bij lage bloed pH zuur kan binden
BS7:
Kan het proces van gaswisseling in de longen (pulmones) en in de weefsels
uitleggen en kan het capillair uitwisselingsproces beschrijven.
Gaswisseling:
- Diffusie: moleculen die zich verplaatsen van hoog naar de lage concentratie
totdat de concentratie gelijk is.
- Alveoli: longblaasje
- Capillair: kleine bloedvaten door de dunne wanden is diffusie mogelijk
- Basisch: substantie die tegengestelde van zuur is (pH > 7)
- Zuren: waterstof & koolstofdioxide (pH < 7)
- Basen: bicarbonaat
- Koolzuur = belangrijk zuur in lichaamsvloeistoffen
Partiële druk:
- Partiële druk van elk gas is bepalend voor snelheid waarmee het gas tussen de
lucht in de alveoli en bloed diffundeert (druk aan de ene kant 10mmHg en andere
kant 160 mmHg -> diffusie vindt snel plaats)
- De druk per type gas
- Alle partiële druk bij elkaar opgeteld is totale druk
Alveolaire lucht tegenover atmosferische lucht:
- Wanneer lucht de luchtwegen in gaat veranderen de eigenschappen ->
- Ingeademde lucht door de neusholte wordt warmer en vochtiger (hoeveelheid
waterdamp neemt toe)
- Ingeademde lucht in de alveoli wordt gemengd met achtergebleven lucht na de
vorige ademhalingscyclus -> bevat meer koolstofdioxide & minder zuurstof dan
atmosferische lucht
- De laatste 150 ml ingeademde lucht (30% van ademvolume) komt niet verder
dan luchtwegen en in de dode ruimte -> ontstaat een nieuw mengsel
Luchtsamenstelling:
Lucht Stikstof (N2) Zuurstof (O2) Waterdamp Koolstofdioxide
(H2O) (CO2)
Ingeademde 597 (78.6%) 159 (20.9%) 3.7 (0.5%) 0.3 (0.04%)
lucht (droog)
Lucht alveoli 573 (75.4%) 100 (13.2%) 47 (6.2%) 40 (5.2%)
(verzadigd)
, Uitgeademde 569 (74.8%) 116 (15.3%) 47 (6.2%) 28 3.7%)
lucht
(verzadigd)
- Verzadigd = met een maximale hoeveelheid waterdamp
Respiratie:
- Gasuitwisseling door verschillende manieren
- Externe respiratie:
- Tussen de lucht in de alveoli en de alveolaire capillair kleine bloedsomloop->
- Zuurstofdruk (PO2) in de alveoli = 100, zuurstofdruk in capillairen = 40 ->
zuurstof vanuit de alveoli verplaats net zo lang naar capillairen tot de
zuurstofdruk 100 is
- Koolstofdioxide (PCO2) wordt van de capillairen naar de alveoli verplaatst totdat
het 40 is
- Interne respiratie:
- Tussen de grote bloedsomloop van de capillairen en de interstitiële vloeistof ->
- Zuurstofdruk (PO2) in interstitiële vloeistof = 95, bloedsomloop van capillairen =
40 (omdat daar meer zuurstof wordt verbruikt) -> zuurstof vanuit de interstitiële
vloeistof wordt verplaatst naar de grote bloedsomloop van de capillairen
- Koolstofdioxide (PCO2) wordt van de bloedsomloop naar de interstitiële
vloeistof verplaatst totdat het 40 is
Zuurstoftransport:
- Zuurstof en koolstofdioxide lossen slecht op in het bloedplasma -> perifere
weefsels hebben meer zuurstof nodig en produceren meer koolstofdioxide dan
het plasma kan vervoeren en opnemen
- Door erytrocyten (rode bloedcel) worden opgeloste zuurstof- en
koolstofdioxidemoleculen opgenomen uit het plasma
- Zuurstof wordt opgenomen en gebonden
- Koolstofdioxide wordt gebruikt om oplosbare verbindingen te vormen
- Erytrocyten door hemoglobine: 4 bindingsplaatsen van ijzer waar
zuurstofmoleculen aan binden
- Formule: Hb + O2 <-> HbO2 (oxyhemoglobine)
- Hoeveelheid O2 binding: afhankelijk van PO2 omgeving -> zuurstofdruk hoog in
omgeving veel bindingen, lage zuurstofdruk minder bindingen
- Hoeveelheid O2 afgifte: afhankelijk van activiteit van weefsels, pH &
temperatuur -> actieve weefsels ontstaat lage zuurstofdruk (PO2) verschil
zuurstofdruk in capillairen en weefsel groter dus meer bindingen
- pH hoog = meer afgifte, temperatuur hoog = meer afgifte
,Koolstofdioxidetransport:
- Opgelost in bloedplasma 7%
- Gebonden aan hemoglobine in rode bloedcellen 23%
- Koolstofdioxide omgezet door koolzuuranhydrase in koolzuur (H2CO3) ->
omgezet in bicarbonaat (HCO3) ->
Reactie: CO2 + H2O <-> H2CO3 <-> H+ + HCO3- / CO2 + H2O <-> H+ + HCO3-
Koolstofdioxide water koolzuur waterstofionen bicarbonaat
- Deze processen zijn omkeerbaar -> koolstofdioxide bij weefsels wordt
opgenomen en in de alveoli worden afgegeven
Kan het principe van zuur-base-evenwicht uitleggen en de rol van de longen hierin
herkennen.
Zuur en basisch:
- Zuur = een stof die waterstofionen (H+-ionen) af kan staan
- (Koolzuur) -> H2CO3 -> H+ + HCO3-
- Base = een stof die waterstofionen (H+-ionen) kan binden in een waterige
oplossing
- H+ hoog -> pH laag/ H+9 laag -> pH hoog
- Zuurtegraad neemt toe (pH daalt):
- Bij stijging concentratie zure verbindingen in lichaam
- Bij daling basische verbindingen in lichaam
Zuur-base evenwicht:
- Evenwicht tussen de hoeveelheid zuren en basen in een oplossing
- pH = zuurgraad -> concentratie H+ (waterstof) ionen
- pH ligt tussen 0-14
- pH kleiner 7 = oplossing zuur, pH groter 7 = oplossing basisch
- Homeostase: pH-waarde bloed: 7.35-7.45
- pH lager 7.35 = Aandoening Acidose
- pH hoger 7.45 = Aandoening Alkalose
- -> deze aandoeningen hebben invloed op alle orgaanstelsels (vooralk
zenuwstelsel & bloedvatenstelsel)
- In longen valt koolzuur uiteen in koolstofdioxide en water -> koolstofdioxide gaat
de alveoli in door diffusie
- In perifere weefsels reageert koolstofdioxide met water -> koolzuur gevormd
- Koolzuurmoleculen vallen uiteen -> waterstofionen en bicarbonaationen
- H+ en HCO3
- Als PCO2 stijgt -> vormt meer koolzuur en komen meer waterstofionen en
bicarbonaationen vrij: PH daalt
, - Als PCO2 daalt -> lichaam wil koolstofdioxide vasthouden en aanmaken,
waterstofionen binden aan bicarbonaat -> koolstofdioxide wordt gevormd
lichaam verliest zuur: PH stijgt
- PCO2 belangrijkste factor die invloed heeft op pH in weefsels
Metabolisme:
- Metabolisme in lichaam -> ontstaan zuren
- Mechanisme in het lichaam om H+ constant te houden
Kan beschrijven hoe de ademhaling wordt bewaakt, welke parameters hierbij van
belang zijn en afwijkingen hierin interpreteren.
Buffers:
- Om homeostase te handhaven -> gebruik tijdelijk buffersystemen: om
waterstofionen te binden / los te laten
- Zuren kunnen hierdoor tijdelijk geneutraliseerd worden
- Buffer bestaat uit: zwakzuur: waterstofionen kan afstaan / zwakke basen:
waterstofionen kan opnemen
- Eiwit-buffer: reguleert pH intra- extracellulair (binnen & buiten cel)
- Fosfaat-buffer: voornamelijk intracellulair -> omdat daar concentratie
fosfaationen hoger is
- Bicarbonaat buffer: voornamelijk extracellulair
Bicarbonaat buffer systeem:
- H2O + CO2 <-> H2CO3 <-> H+ + HCO3-
- Koolzuur = voorraad van zuren en basen & kan bicarbonaat afstaan &
waterstofionen en dus zuren afstaan
- Bicarbonaat = basen dat bij lage bloed pH zuur kan binden