GROEP = GELIJKHEID, NABIJHEID EN LOTSVERBONDENHEID
Week 1
Gedrag = functie (van Persoon x Situatie)
- Situatie wie is de persoon waarmee ik te maken heb?
Sociale categorisatie: voel je gelijkheid, nabijheid en lotsverbondenheid?
Mimicry: naar elkaar gedragen, op zelfde manier iets doen
Gelijkheid: gelijk zijn aan elkaar
Gelijk(tijdig)heid: orkest, leger of bijvoorbeeld een dansgroep
Lotsverbondenheid: boerenprotesten, vluchten oorlog, AA of NA
Stapel al deze dingen op en krijgt ontgroeningsideeën
Entitatiity: eenheid (gelijkheid, nabijheid, lotsverbondenheid)
Multi-level categorisaties
1. Collectieve categorisatie: ondanks verschil in kennis neuro/klinisch psychologen, we
zijn samen 1 groep. Allemaal een psycholoog.
2. Subgroep categorisatie: wij/zij denken bedreigend (onze groep vs die groep
3. Subgroep categorisatie, minder ingroup-outgroup: we zijn 1 groep en de rest is
gewoon los (niet een groep. Wij zijn een groep, de rest losse flodders.
4. Persoonlijke categorisatie: ik ben mijn eigen persoon, mijn eigen netwerk dus werk niet
samen in de groep. Ik hoef niet bij deze mensen te horen.
5. Gedeeld groepslidmaatschap: hoort bij 2 groepen en het maakt niet uit welke, beide
belangrijk
6. Gedeeld lidmaatschap, warme/koude kant: wame kant (eigen familie), koude kant =
aangetrouwd (nieuwe kant). Moeten we met kerst naar jouw familie en naar die van mij.
Erfenis gaat alleen naar EIGEN warme kant, verdeling goederen altijd naar warme kant.
SWO test (sociale waarde orientatie); gedrag van mensen in groepen hoe verdelen
mensen geldbedragen, gelijk of eigen voordeel of competitief
Pro socialen maken meer onderscheid tussen ingroep en outgroep dan individualisten
individuen maakt het niet uit wie de groepen zijn
Pro-socialen meer samenwerkend naar leden eigen groep dan naar de outgroep.
Individualisten: minder samenwerkend ongeacht groep lidmaatschap
Binnen groepen
Individuele eigenwijsheid, wetenschappelijke specialisatie bij werknemers. Iedereen denkt
het te weten eigen (wijs) heid. Weinig uitwisseling tussen individuen, meer aandacht individu
dan voor groepsbelang. Hierdoor gebrekkige samenwerking binnen groepen.
Tussen groep
Bijv. wetenschappelijke specialisatie als groep (klinische psychologie of sociale). Weinig
uitwisseling met andere groepen dan hun eigen groep je hoort bij de groep (ingroep) of
niet (outgroep). Gericht op collectief gebrek samenwerking groepen.
Psychologie van lidmaatschap
,Sociale vergelijkingstheorie: 2 motieven
Informatief motief: goede informatie, vertel me hoe iets zit
Sociale validatie motief: Ik ben OK, ik hoor erbij
Deze motieven botsen wel eens: angst en onzekerheid maken OK zijn belangrijker dan
accurate informatie.
Sociale vergelijking en validatie hoe is verhouding
1. Ik de anderen
- Self serving causale attributies: succes komt door mij, een ander zegt dat het vast niet
zo moeilijk was. Gewoon mazzel. Als ik faal ligt het aan de ander.
- Downward social comperison: gerustellend dat er mensen slechter zijn dan dat ik ben.
- Self-evaluation maintenance (SEM theorie) bij upward comparison; graag
samenwerken met iemand die goed is waarin ik dat niet ben. Niet iemand die ook heel
creatief is als ik dat ben, jezelf beschermen dat je niet onder doet aan iemand.
2. Ik andere personen ingroep:
- Optimaal onderscheidend vermogen (optimal distinctiveness): Je wilt bij een groep
horen maar als je wordt aangesproken als dat groepslid dan benadruk je je eigen individu
te zijn. Je wilt erbij horen maar ook jezelf onderscheiden.
3. Ik ingroep andere groep
- Groep serving causal attributions: positiefs komt door interne factoren van de groep,
iets negatiefs komt door externe factoren.
- Sociale creativiteit: mensen vinden niet fijn om in hokje geplaats te worden dus
benoemen iets wat zij kunnen en andere niet.
- Birging: wij hebben gewonnen! Associëren met winst groep
- Corfing: zij hebben verloren, als groep verliest er niet meer bij horen.
SEM theorie; self-evaluation maintenance theorie: Zijn we meer bereid om een vreemde dan
om een vriend vooruit te helpen op gebieden die belangrijk voor ons zijn.
Sociale uitwisselingstheorie
R = relatie, CL= verwachting van relatie, CLalt = verwachting van alternatieven
4 situaties (on) tevreden en (on) afhankelijkheid
1. R (relatie) ligt boven CL (verwachting) dus tevreden. CLalt ligt onder CL geen betere
alternatieven, maakt me afhankelijk in een relatie. Tevreden, afhankelijk
4. Verwachting (CL) ligt boven relatie dus ontevreden, meer verwacht van relatie. CLalt
boven verwachting, iets anders veel beter waar ik voor kan kiezen, onafhankelijk. Ik ben
dus ontevreden en onafhankelijk.
2. R ligt boven verwachting dus ik ben tevreden maar het alternatief is nog beter. Heb ik
mijn verwachting dan te laag? Kan gaan schuiven, pas zien wat mogelijk is na nieuwe
keuze. Tevreden en onafhankelijk.
3. Relatie is slechter dan verwachting maar alternatief is nog erger ontevreden en
afhankelijk. Mokkend blijven zitten waar je zit, niet lang volhouden. Verwachting (CL)
naar beneden zetten ‘zo erg is het niet’. Zoeken naar alternatieven, van afhankelijkheid
afkomen.
Week 2 sociale invloed
Sociale invloed is dynamisch
, - Allen tegen eenling
- Minderheid tegen meerderheid
Sociale validatie normatieve invloed
Persoonlijke validatie informationele invloed
Meerderheid kan zorgen voor beide invloeden een minderheid moet zijn invloed hebben
op informationeel gebied
Een maatschappelijke minderheid kan een lokale meerderheid zijn met informationele en
normatieve invloed (sekte etc.)
Reacties op sociale invloed
Privé iets afkeuren maar publiekelijk instemmen (gehoorzamen)
Privé en publiekelijk instemmen = overtuigd
Privé instemming, publiek afkeuring (tegendraads) bijvoorbeeld tegen ouders
Privé afkeuring, publiekelijk afkeuren: onafhankelijk (lef dat je dat durft te laten zien
queen)
Asch experiment tegengaan van sociale invloed (luisteren naar meerderheid)
Schrijvend antwoorden dan zijn mensen eerlijk, publiekelijk toch snel meegaan met
anderen
1 van voorgangers zegt het andere foute antwoord, 1 mede afwijker dan durf jij ook
Autokenetisch effect experiment
Het lijkt alsof een lampje in de horizon beweegt (doet het niet) gevraagd hoeveel het
beweegt (dus zou het wel moeten doen) aan elk lid. Antwoorden eerst ver uit elkaar
mensen veranderen antwoord meer naar het gemiddelde.
Je kan een handlanger inzetten die constant 1 getal blijft antwoorden, de rest zal daar
meer naar toe gaan in hun antwoord.
Consistente eenling: bijv. uitspraak van jury, iedereen zegt schuldig behalve 1 iemand.
Hierdoor geen uitspraak
Dual procestheorie
- Centrale route; grondige verwerking, analyseren, speelt in op behoefte aan kennis
- Perifere route: oppervlakkige infoverwerking, speelt in op behoefte erbij te horen,
laten gehoorzamen. Als iemand dit zegt dan zal het wel, makkelijke weg.
Invloed vanuit minderheid is sluimerend/latent
- Kost meer tijd om door te dringen (centrale route)
- Komt vaak indirect en pas later tot uiting, mensen durven pas later achter een ander
punt te staan. De beïnvloedde moet minder bang zijn voor afwijzing van de
meerderheid
- Blijft vaak beter en langer
Dynamische sociale impact theorie
- Kracht van bronnen die iets uitoefenen, nabijheid van bronnen, het aantal bronnen
Dynamisch proces van:
- Clustering in ruimte; mensen die het eens zijn gaan bij elkaar klitten